Hoe is de reis naar Damascus van onze profeet (vzmh) met zijn oom Eboe Talib verlopen?
Beste Broeder/ Zuster,
De tijd voor de jaarlijkse handelsreis naar Damascus van de Mekkanen was aangebroken. De handels karavaan werd voorbereid en Eboe Talib die zich normaal gesproken niet voegde in deze handelsreis, had besloten om er dit jaar aan deel te nemen vanwege zijn financiële complicaties. Mohammed zag zijn oom zich voorbereiden op de handelsreis en wilde hem graag vergezellen. Echter vond Eboe Talib zijn neefje van twaalf nog te jong om mee te nemen voor een dergelijke reis. Hoe ontwikkeld Mohammed ook was, Eboe Talib vond het te risicovol voor hem. Het besluit van zijn oom maakte de wees erg verdrietig en met een gebroken hart vroeg hij zijn oom:
“O lieve oom, bij wie laat u mij achter? Ik heb geen vader en geen moeder meer. Aan wie vertrouwt u mij toe?”
Deze woorden raakten Eboe Talib diep van binnen. Zwaar ontroerd zei hij:
“Bij ALLAH, ik zal jou nooit verlaten!”
Het verdrietige gezicht van de wees straalde opeens van geluk. Haastig pakte hij opgewonden zijn spullen in en nadat alle preparaties waren afgerond, vertrok de handelskaravaan richting Damascus. De reis verliep soepel en na een aantal dagen reizen, kwamen ze aan in een provinciestad vol tuinen en fonteinen in de buurt van Damascus. Deze plaats heette Boesra.
Vlak voor de ingang van Boesra bevond zich een klooster dat bewoond werd door een monnik genaamd Bahîra. Hij was vroeger een Joodse geleerde en had zich, na onderzoek te plegen, tot het Christendom bekeerd en werd al snel een gerespecteerde geleerde onder de Christenen. In dat klooster bevond zich een boek dat er voor zorgde dat een ieder die in het klooster verbleef en dat boek las, het meest geleerd werd.[qtip:1 |Sîre, 1/191]
De Quraishieten zetten zoals elk jaar hun kamp op in de buurt van het klooster. De monnik die normaalgesproken nooit met hen in gesprek ging, verwelkomde ze opeens. Het warme onthaal van de monnik deed vraagtekens op komen bij de Mekkanen.
Bahîra had namelijk iets bij hen opgemerkt waar ze zelf niet van op de hoogte waren. Deze karavaan was anders dan de voorgaande jaren. Hij hield ze al een tijdje in het oog en zag dat er een wolk zich boven hen bevond. Waar ze ook heen gingen, de wolk bleef hen achtervolgen. Toen ze onder een boom stopten om hun kamp op te zetten, stopte de wolk ook en de takken van die boom bogen zich over iemand heen om diegene schaduw te bieden tegen de zonnige woestijn.
Na hiervan getuige te zijn geweest, kon de monnik zich niet beheersen en wilde weten wie de oorzaak was van deze wonderbaarlijke merkwaardigheden. Hij nodigde de Quraishieten uit voor een maal. Een ieder die deel uit maakte van hun karavaan moest eraan deelnemen, geen mocht achterblijven. De Quraishieten konden hun verwardheid niet verbergen en vroegen waarom de monnik, die hen de voorgaande jaren niet eens groette, nu opeens belangstelling toonde. Bahîra hield zijn reden voor zich en zei:
“Wat jullie zeggen klopt, desalniettemin zijn jullie hier te gast en wil ik jullie verwelkomen, daarom heb ik een maal voor jullie voorbereid. Komt allen aan tafel en laten we gezamenlijk eten.”
Al waren zij verward, ze weigerden de uitnodiging van de monnik niet en verzamelden zich allen aan tafel. Mohammed was de enige die zich niet onder de aanwezigen bevond. Hij kreeg namelijk de opdracht om de karavaan te hoeden omdat hij de jongeste was onder hen.
Terwijl de gasten aan tafel begonnen te eten, analyseerde de monnik alle aanwezigen om degene die de reden was van de mirakelen te vinden. Tot zijn grote verbazing, kon geen van de aanwezigen diegene zijn naar wie hij op zoek was. Hij hoorde veel stralender te zijn dan deze gasten, daarom vroeg Bahîra hen of iedereen van hun stam wel present was. Ook zag hij dat de wolk zich nog boven de karavaan bevond, daarom moest er wel iemand ontbreken. De Quraishieten lieten hem weten dan iedereen aanwezig was, behalve de jongste onder hen, die was aangesteld om hun karavaan te bewaken. Bahîra stond er op dat iemand hem ophaalde om hem ook deel te laten nemen aan de maal. Niemand begreep waarom hij zo aandrong, maar de wees werd opgehaald.
De monnik zag dat de wolk boven de karavaan naderde, want daar kwam Mohammed aangelopen. Vol bewondering waren de ogen van Bahîra naar de wees gericht. Het kind nam plaats en begon mee te eten, terwijl de monnik verwonderd op al zijn bewegingen en handelingen lette. Hij kon zijn ogen niet van hem af houden.
Dit was degene die hij zocht en in levende lijve zag hij er nog stralender uit dan in zijn verbeeldingen. Zijn oogverblindende uitstraling, zijn ongeëvenaarde manieren en handelingen kwamen overeen met de beschrijvingen van de laatste profeet waarover hij gelezen had. Zou dit kind dan werkelijk diegene zijn?
Op het moment dat iedereen van tafel ging, benaderde de monnik het kind en fluisterde in zijn oor:
“Bij Lat en Oezza, beantwoord mijn vragen die ik voor jou heb opgesteld naar waarheid.”
Ergernis was af te lezen op het gezicht van het verlichte kind toen hij de twee namen van de afgodsbeelden hoorde en verafschuwd zei hij:
“Vraag mij niets in de naam van Lat en Oezza. Bij ALLAH, niets verafschuw ik meer dan hen!”
De monnik moest glimlachen en zei vervolgens:
“Bij ALLAH, geef antwoord op mijn vragen naar waarheid.”
Mohammed zei daarop:
“Vraag wat u wilt”.
De antwoorden van de twaalfjarige deden de monnik versteld staan. Alleen de Verkorene zou in staat zijn om zijn vragen te kunnen beantwoorden zoals hij dat deed. Tot slot vroeg hij hem of hij zijn rug mocht zien en nadat de wees het teken der profeetschap tussen zijn schouderbladen zichtbaar maakte voor de monnik, verdwenen alle twijfels. Dit zou de laatste en grootste gezant worden van ALLAH!
Hij liep naar Eboe Talib en het volgende gesprek ontstond tussen de twee:
Bahîra: “Wat is dit kind van jou?
Eboe Talib: “Dit is mijn zoon.”
Bahîra: “Nee, dit is niet uw zoon! Zijn vader hoort niet in leven te zijn.”
Eboe Talib: “U hebt gelijk, hij is niet mijn zoon. Hij is mijn neef.”
Bahîra: “Wat is er met zijn vader gebeurd?”
Eboe Talib: “Die overleed toen zijn moeder nog in verwachting was van hem.”
Bahîra: “Nu spreekt u de waarheid! Neem uw neef mee en keer zo snel mogelijk weer terug naar het land waar u vandaan komt. Bescherm hem tegen kwaadgezinde Joden, want bij ALLAH, als zij hem zien en opmerken wat ik heb opgemerkt, zullen ze hem iets aandoen. Uw neef zal een verheven naam verkrijgen in de toekomst. Verspil geen tijd en vertrek zo snel mogelijk!”[qtip:2 |Sîre, 1/191-194; Tabakât, 1/153-155; Ensab, 1/96-98; Taberî, 1/194-195]
Eboe Talib raakte zeer verontrust door deze woorden van Bahîra. Zonder verder te reizen naar Damascus, verkocht hij al zijn handelswaar in Boesra en keerde zonder tijd te verdoen weer terug naar Mekka met zijn gezegende neef.[qtip:3 | Sîre, 1/194; Tabakât, 1/155; Ensab 1/97]
In de tijd der profeetschap verschenen er vele Joden en Christenen zoals Bahîra die ook bekenden dat de eigenschappen van Mohammed beschreven stonden hun boeken. Alsnog waren er vele onder hen die zich zelfs na deze bekentenis niet bekeerden tot de Islam.
[1] Sîre, 1/191
[2] Sîre, 1/191-194; Tabakât, 1/153-155; Ensab, 1/96-98; Taberî, 1/194-195
[3] Sîre, 1/194; Tabakât, 1/155; Ensab 1/97
İslam Geloof

