Profeet Mohammed (vzmh) stierf op maandag, op 8 juni 632 (de twaalfde dag van de maand Rabi'el evvel in het elfde jaar na de Hijra). [qtip:1| Safiyoerrahman Moebarek Foeri]
[1] Safiyoerrahman Moebarek Foeri
Profeet Mohammed (vzmh) stierf op maandag, op 8 juni 632 (de twaalfde dag van de maand Rabi'el evvel in het elfde jaar na de Hijra). [qtip:1| Safiyoerrahman Moebarek Foeri]
[1] Safiyoerrahman Moebarek Foeri
De geboorte van de Lieveling was nabij. De Kaba trok steeds meer pelgrims aan. De groeiende hoeveelheid bezoekers van de Kaba zorgde voor afgunst bij bepaalde individuen. Ebrehe, die als heerser van Yemen was aangesteld door de koning van Abessinië, was de voornaamste onder de afgunstigen.
Om de band tussen de mensen en de Kaba te verbreken en zijn grote hoeveelheid bezoekers te reduceren, liet Ebrehe met behulp van het Byzantijnse rijk een kerk genaamd Koelleys bouwen in de stad San’a. De kerk was van binnen gedecoreerd met zilver en goud en van buiten versierd met waardevolle stenen. Alleen om de pelgrims van de Kaba naar die kerk te trekken, werd er een immens bedrag besteed. Toentertijd was er geen gelijke te vinden. Ebrehe dacht hiermee de aantrekkingskracht van de Kaba te kunnen verstoren.
Om geprezen te worden voor zijn daden door de koning van Abessinië, schreef hij de volgende brief naar hem:
“Mijn geëerde koning. Ik heb een kerk voor u laten bouwen wier gelijke voorheen voor geen heerser is gebouwd. Ik zal niet rusten voordat ik de pelgrims van Mekka naar deze kerk trek.”[qtip:1| Sîre, 1/45; Tabakât, 1/91; Taberî, 2/109]
Het resultaat botste echter met zijn verwachting. De kerk trok wel veel gasten aan, maar de bezoekintentie was slechts het bezichtigen van haar praal. De Kaba daarentegen bleef jaarlijks pelgrims aantrekken die in aantal alleen maar toenam.
De aanleiding voor het bouwen van de kerk werd vernomen door de Arabieren. Toen Newfel van de Kinane stam dit vernam, vertrok hij voor een bezoek naar die kerk. Wanneer hij arriveerde, bekladde hij de Koelleys van binnen en buiten met zijn uitwerpselen, vulde haar met vuil en keerde weer naar zijn stam.
Ebrehe werd woest toen hij te weten kwam over dit voorval. Zijn woede steeg toen hij ook nog eens te horen kreeg dat de dader een Arabier was. Vanwege zijn intentie om de pelgrims van de Kaba naar de Koelleys te trekken, vervuilde een Arabier zijn kerk. Als tegenreactie zwoer hij om hun Kaba met de grond gelijk te maken.[qtip:2| Sîre, 1/47; Tabakât, 1/91; Taberî, 2/110] Hij vormde een leger van ongeveer zestigduizend man. Nadat alle voorbereidingen waren getroffen, vroeg hij de koning van Abessinië om toestemming voor het gebruik van zijn reusachtige strijdolifant genaamd Mahmoed, waarop de koning zijn wens vervulde.[qtip:3| Tabakât, 1/91]
Ebrehe vertrok met zijn leger richting Mekka. Onderweg trof hij een aantal Arabische stammen die hem wilden hinderen, maar Ebrehe had de overmacht. Moeiteloos walste hij over de stammen heen die hem dwarsboomden.
Toen ze aankwamen in een oord nabij Mekka genaamd Moegammies, zetten zij hun kamp op en spendeerden daar hun nacht. De volgende dag zond hij een ruitereenheid onder leiding van Eswed ibni Maqsoed naar Mekka. De ruiters troffen onderweg het vee aan van de Quraish en Tihame, waaronder ook de tweehonderd kamelen van Abdulmoettalib, en namen deze in beslag.[qtip:4| Sîre, 1/50, Tabakât 1/91; Taberi, 2/111] Tijdens deze gebeurtenis was Abdulmoettalib de leider van Mekka.
Later zond Ebrehe via een woordvoeder genaamd Hoenâta het volgende bericht:
“Ik ben hier niet gekomen om te strijden tegen jullie. Mijn komstreden is enkel het vernietigen van de Kaba. Als jullie mij niet hinderen, zal ik geen bloed vergieten. Mocht de leider van jullie stam niet willen strijden met mij, laat hem mij dan benaderen.”[qtip:5| Sîre, 1/50]
De leider van Mekka antwoordde hierop:
“Bij ALLAH, wij willen niet strijden tegen hem. Wij beschikken ook niet over de macht hiervoor. De Kaba is echter het huis van ALLAH. Alleen ALLAH kan het beschermen tegen verwoesting. Als ALLAH Zijn huis niet beschermt, zijn wij niet in staat om tegen het leger van hem in te gaan.”
Na dit gesprek vertrok Abdulmoettalib samen met de woordvoerder naar Ebrehe. Vanwege de indrukwekkende uitstraling van Abdulmoettalib koesterde Ebrehe onbewust eerbied voor hem. Na een gastvrij ontvangst, vroeg Ebrehe hem wat zijn wens was. Abdulmoettalib zei dat hij graag zijn tweehonderd kamelen terug wilde. Ebrehe verloor hierdoor zijn eerbied jegens hem en zei spottend:
“Toen ik je zag, dacht ik dat jij iets voorstelde. Nu zie ik dat jij jouw tweehonderd kamelen terugvraagt terwijl ik hier ben gekomen om het gebouw te verwoesten dat door jouw voorouders gebruikt werd als gebedshuis.”
Koelbloedig antwoordde Abdulmoettalib:
“Ik ben de eigenaar van mijn kamelen, daarom vraag ik jou om mijn eigendom. De Eigenaar van de Kaba is ALLAH. Zonder twijfel zal ook ALLAH zorg koesteren voor Zijn eigendom en het beschermen!”
Ebrehe, die geïrriteerd raakte door deze woorden, zei dat niemand in staat was om hem tegen te houden, waarop Abdulmoettalib zei:
“Ik bemoei mij daar niet mee. Hier sta jij, daar staat Zijn huis.”[qtip:6| Sîre, 1/51; Tabakât, 1/92]
Na deze confronterende conversatie gaf Ebrehe hem zijn tweehonderd kamelen terug. Abdulmoettalib keerde naar Mekka en informeerde zijn stam over het verloop van het gesprek. Vervolgens offerde hij al zijn kamelen voor ALLAH.
Nadat Abdulmoettalib het volk van Mekka adviseerde de stad te ontruimen om gered te worden van de aandoening van Ebrehe, wendde hij zich tot de Kaba met een aantal stamgenoten. Ze klampten zich aan het deurhendel van de Kaba en smeekten:
“O ALLAH, zelfs Uw onderdanen hoeden hun huizen, hoed ook de Uwe. Laat hun macht de Uwe niet overtreffen.”[qtip:7| Sîre, 1/53; Tabakât, 1/92]
Mekka was ontruimd, het volk zocht toevlucht in de bergen en wachtte af hoe alles zou verlopen. Mekka was ontruimd, de Kaba was eenzaam, het volk was droevig.
De volgende ochtend stond het leger van Ebrehe paraat. De soldaten wachtten enkel op het aanvalssein. Zelfverzekerd stond Ebrehe arrogant aan het hoofd, zonder besef dat er in het leger zich een aantal opstandelingen bevonden. De voornaamste onder hen was Noefeyl ibni Habib, de gids van de reusachtige olifant. Hij fluisterde in het oor van Mahmoed:
“Mahmoed, kniel neer voor jouw Heer. Keer heelhuids weer terug naar het gebied waar je vandaan komt, want jij bevindt je op het verboden terrein van ALLAH dat Hij heilig heeft verklaard.”[qtip:8| Sîre, 1/54]
Na deze woorden van Noefeyl, knielde dit gigantisch beest zich onmiddellijk neer. De soldaten deden er alles aan om hem weer op zijn poten te krijgen. Ze waren echter niet in staat om beweging in het beest te krijgen. Hij verroerde zich niet, totdat ze hem van Mekka afwendden; het beest begon te rennen als een bezetene. Wanneer de soldaten het aangezicht van dat beest weer keerden naar de Kaba, knielde hij weer plotseling neer alsof zijn poten het begaven.[qtip:9| Sîre, 1/54; Taberî, 2/113]
Ondertussen werd er opeens iets merkwaardigs opgemerkt. In de verte was er in de horizon aan de zeekant iets duisters te zien. De duisternis kwam steeds dichterbij en naarmate deze naderde, bleef ze groeien. Opeens was de oorzaak van deze duisternis helder; ze werd gevormd door een enorme zwerm pijlstormvogels. Het leger van Ebrehe verkeerde zich in paniek en chaos. Angst verving hun hoogmoed, want het was duidelijk dat deze vogels het op hen hadden gemunt. Een elk van deze vogels droeg één klomp klei ter grootte van een nootje in zijn snavel en twee in zijn klauwen. Toen deze zwerm zich boven hen bevond, stortten de vogels de klompen klei over hen heen. Het hoogmoedige leger dat opeens bloot stond aan een regenstorm van kleistenen, werd met de grond gelijk gemaakt.[qtip:10| Sîre, 1/54-55; Tabakât, 1/92] Een ieder die getroffen werd door één viel ter plekke te pletter en stierf op slag. Het veld dat onlangs vol stond met aanvalsklare soldaten, bestond alleen nog maar uit lijken. Ebrehe die zich zojuist arrogant in een overwinningswaan verkeerde, bevond zich onder de vluchtende soldaten, maar ook hij stierf door zijn opgelopen verwondingen tijdens het vluchten.[qtip:11| Sîre, 1/56] Mahmoed bleef gespaard, omdat deze olifant zich onder degenen bevond die het niet waagden om tegen hun Heer in te gaan. Soms zijn mensen dus in staat zijn om de beestachtigheid van het grootste beest te overtreffen.
Nadat de pijlstormvogels het leger van Ebrehe hadden geruïneerd, spoelde een stortvloed, die ontstond door hevige regen, alle lijken de zee in.[qtip:12| Tabakât, 1/92] Op deze wijze hoedde de Eigenaar van de Kaba Zijn huis en reinigde Mekka en haar omgeving met Zijn bevel.
Deze hele gebeurtenis viel onder de mirakelsoorten van Mohammed die vóór zijn komst plaatsvonden. De Kaba, welke de gebedsrichting van zijn volgelingen bepaalde, mocht niet verwoest worden.
In de Qur’an wordt deze gebeurtenis als volgt beschreven:
“In de naam van ALLAH, de Barmhartige, de Genadevolle.
Heb jij dan niet vernomen hoe de houders van de olifant werden behandeld door jouw Heer?
Heeft Hij hun plannen niet verbroken?
Heeft Hij geen zwerm van pijlstormvogels op hen neergezonden?
En stortten zij geen klompen van klei, waardoor zij een vorm aannamen van fijngekauwd stro?”[qtip:13| Soerah Fil]
Dit was ook een duidelijk bewijs voor het profeetschap van Mohammed, want dit hoofdstuk werd door niemand verloochend. Een hoofdstuk uit de Qur’an dat vertelde over een historisch gebeuren waar heel het volk van Mekka, de heerser van Yemen en zestigduizend soldaten bij betrokken waren, werd door niemand tegengesproken. Als dit niet had plaatsgevonden, zou het, als niet door de Mekkaanse polytheïsten, door het volk van Yemen zonder twijfel verloochend worden.
[1] Sîre, 1/45; Tabakât, 1/91; Taberî, 2/109
[2] Sîre, 1/47; Tabakât, 1/91; Taberî, 2/110
[3] Tabakât, 1/91
[4] Sîre, 1/50, Tabakât 1/91; Taberi, 2/111
[5] Sîre, 1/50
[6] Sîre, 1/51; Tabakât, 1/92
[7] Sîre, 1/53; Tabakât, 1/92
[8] Sîre, 1/54
[9] Sîre, 1/54; Taberî, 2/113
[10] Sîre, 1/54-55; Tabakât, 1/92
[11] Sîre, 1/56
[12] Tabakât, 1/92
[13] Soerah Fil
De opa van de Eigenaar des lichts: Sheybe, ofwel Witharig, kreeg deze naam vanwege zijn witte haren tijdens zijn geboorte. Abdulmoettalib was echter de bijnaam waar hij meer bekend om stond. De reden waarom hem deze bijnaam werd gegeven, wordt als volgt verhaald:
In zijn kinderjaren verbleef Sheybe in Medina bij zijn ooms. Op een dag hielden zijn buurtvrienden een boogschietwedstrijd tegen kinderen uit andere buurten. Het licht van zijn toekomstige kleinzoon dat schitterde in zijn gezicht maakte hem het meest opvallend tussen de kinderen. Er was ook een grote groep volwassenen aanwezig om de wedstrijd van de kinderen te volgen.
De beurt om te schieten, was van Sheybe. Hij plaatste zijn pijl op zijn boog, spande de draad vol zelfvertrouwen aan, hield een ogenblik zijn adem in en liet de draad los. De pijl die uit zijn boog vloog, raakte precies de roos. Terwijl iedereen hem vol verbazing aanstaarde, riep hij uit vreugde:
“Ik ben de zoon van Hâshim, de zoon van de heer Bethâ; mijn pijl raakt vanzelfsprekend zijn doel!”
Het volwassen publiek vernam deze trotse woorden van Sheybe. Iemand onder de zonen van Haris bin Abd-i Menaf naderde hem en door hem te ondervragen, ontdekte hij dat Sheybe een zoon bleek te zijn van Hâshim. Vervolgens bezocht deze man Mekka en beschreef de situatie aan Moettalib, de oom van Sheybe, en vertelde hem dat het niet gepast was om een dergelijk intelligent en talentvol kind in een onbekende streek te laten verblijven. Moettalib vertrok daarop meteen naar Medina om zijn neef naar Mekka te halen. Eenmaal van Medina met Sheybe aangekomen in Mekka, werd hem gevraagd: “Wie is dit kind?” Uit angst voor afgunstige blikken zei hij: “Dit is mijn slaaf.” Toen hij thuis kwam en zijn vrouw hetzelfde vroeg, zei hij weer “Mijn slaaf.” De volgende dag wandelde Sheybe door de straten met nieuwe en opvallende kleren aan die zijn oom voor hem had gehaald. Iedereen vroeg zich af wie hij was en degenen die er om vroegen, kregen als antwoord: “Abdulmoettalib” (de slaaf van Moettalib). Al kwam later boven water wie hij echt was, zijn bijnaam bleef: “Abdulmoettalib”.[qtip:(1) | Ibn-i Sa'd, Tabaqat, v. 1, blz 82-83]
De Kaba was het eerste gebedshuis op aarde, gebouwd door Adem. In de periode van Ibrahim waren er vele jaren verstreken sinds haar bouw, waardoor er weinig van overgebleven was. De Schepper beval Ibrahim dat heilige gebedshuis te herbouwen, waar hij vervolgens gezamenlijk met Ismail onmiddellijk aan begon.
Toen zij het gebedshuis hadden herbouwd, richtten vader en zoon hun handpalmen naar de hemelen en smeekten:
“O Heer! Zend vanuit ons Islamitisch nageslacht een profeet, opdat hij Uw verzen aan hen (de mensheid) voorleest, het Boek en Uw wetten onderwijst en hen reinigt van zonden.”[qtip:1| Baqarah 1]
Dit smeekgebed zou later de reden worden waarom de meest nobele boodschapper van ALLAH het volgende zei:
“Ik ben het smeekgebed van mijn vader Ibrahim.”[qtip:2| Ibni Hişâm, Sîre: 1/175; Taberî, Tarih: 2/128]
[1] Baqarah 129
[2] Ibni Hişâm, Sîre: 1/175; Taberî, Tarih: 2/128
De profeet is een voorbeeld voor de moslims. ALLAH vertelt middels de Edele Koran het volgende hierover:
Voorwaar, gij hebt in de Profeet van God een prachtig voorbeeld voor ieder die ALLAH en de laatste Dag vreest, en die God vaak herdenkt.[qtip:(1)| De Koran: 33/21]
Met verspilling in de Islam wordt onnodige besteding genoemd en deze heeft ALLAH verboden. De profeet deed zijn uiterste best om verspilling binnen zijn gezin te voorkomen. De gunsten die ALLAH heeft geschonken horen besteed te worden naar behoefte. De profeet onderwijst dat de kwestie er niet toe doet, zo lang er overdreven wordt, is het verspilling. ALLAH zegt hier het volgende over “eet, drink, verspil niet.”
De profeet v.z.m.h leidde een heel eenvoudig bestaan. In zijn jeugd, nadat hij was getrouwd met Khadiedjeh, vergaarde hij veel weelde. Ondanks zijn rijkdom veranderde hij zijn eenvoudige levensstijl niet. Zijn kleding was simpel en was verwijderd van pronkzucht. Ook met huismeubelen lette hij erg op verspilling. Slechts waar zij behoefte aan hadden, kochten ze; waar ze geen behoefte aan hadden, haalden ze niet in huis. Ook met voedsel lette hij erg op verspilling. Brood dat overbleef na het eten werd nooit weggegooid, er werd altijd gebruik van gemaakt. Er werd geen eten verspild en er bevond zich nooit veel verschillende soorten eten aan tafel. De trouwerij van zijn meest geliefde dochter Fatima was heel simpel, ze hielden geen lukse, sensationele huwelijk en ontweken verspilling.
Op een dag zag hij dat één van zijn metgezellen water verspilde tijdens het halen van de wassing. Hij vroeg hem “Waar is deze verspilling voor nodig?”. De metgezel vroeg hem daarop of er verspilling bestaat tijdens het halen van de wassing. De profeet gaf daar het volgende antwoord op “Jazeker, al bevind jij je naast een stromend rivier, zolang jij meer water gebruikt dan nodig, is het verspilling.”[qtip:(2)| Tirmîdi, Bir 41. IV, 343]
Ook verbood de profeet verspilling met de volgende woorden “eet, drink, kleed en geef aalmoezen zonder arrogantie of verspilling.”[qtip:(3)| Eboe Dawoed, Djihad, 21] Deze overlevering maakt duidelijk hoeveel waarde de Islam hecht aan bezuinigen.
Om ons bestaan en werkleven voort te zetten, horen wij onszelf te onderhouden. Een mens hoort echter zoveel als nodig te nuttigen. Ook is het vermijden van ondervoeding een vereiste. Ons geloof verbiedt zowel verspilling als ondervoeding. De profeet levert hierover ook het volgende over:
“Een mens hoort zijn maag niet vol te proppen. Echter hoort hij zich ook niet dusdanig te onthouden van eten waardoor hij zijn kracht verliest.”
“De kinderen van Adam hebben geen schadelijkere holte gevuld dan hun maag. Een aantal hapjes die zijn rug overeind houden, zijn voldoende voor een mens. Wanneer een mens eet, hoort hij een derde van zijn maag te vullen met voedsel, een derde met water en een derde moet hij vrij houden voor zuurstof.”[qtip:(4)| Tirmîdi Zoehd, 47]
Verspilling omtrent kledij.
Besteding aan kledij is afhankelijk van een persoons weelde. De profeet heeft laten weten dat rijke mensen, mits pronkzucht en arrogantie vermeden wordt, hun dank kunnen betuigen voor de gunsten van ALLAH middels het dragen van mooie kledij; dit zal ALLAH behagen. Bovendien zei de profeet het volgende tegen een rijke man die hem bezocht met beschadigde kleren aan: “Het behaagt ALLAH om de gunsten die Hij Zijn dienaar schonk, te zien op zijn lichaam."
Een rijke persoon die zich goed en schoon kleed, geeft zijn gunsten het recht dat zij verdienen. Echter hoort hier ook verspilling op punt van pronkzucht en luxe vermeden te worden. Kledij die bijvoorbeeld nog zo goed als nieuw is, vervangen omdat de mode ervan verlopen is, is ongepast.
Verspilling van tijd
Eén van de meest waardevolle bezitten van de mens is tijd, want alles ontstaat, ontwikkelt en verdwijnt uiteindelijk met de tijd. De mens kan waardevolle dingen, zoals kennis en rijkdom vergaren binnen tijd. Degene die tijd benut zoals het hoort, kan zowel het geluk ondervinden op aarde als in het hiernamaals.
In de Koran wordt de waarde van tijd ook benadrukt met het volgende vers “Bij de tijd, de mens bevindt zich in verlies"[qtip:(5)| Koran: 103/12]Bovendien verkondigt de profeet ook het volgende omtrent dit onderwerp: “Er zijn twee gunsten waar de meeste mensen de waarde niet van weten. Deze zijn gezondheid en vrije tijd.”[qtip:(6)| Boekhari, Rikak, 1. VII, 170]
Weer een overlevering van de profeet v.z.m.h luidt:“Bestaat er iets triester dan iemand die zijn leven dat ALLAH hem geschonken heeft roekeloos en onverantwoord verbrast?”
“Op de dag des oordeels kan geen dienaar zich verroeren voordat hij verantwoording aflegt over de plaats waar hij zijn leven heeft besteed, wat voor werken hij met zijn kennis heeft verricht, hoe hij aan bezittingen is gekomen en waar die het aan heeft besteed, waar hij zijn lichaam heeft versleten en of hij heeft geleeft naar hetgeen hij wist.”[qtip:(7)| Tirmîdi, Qiyameh. 1, .IV, 612]
[1] De Koran: 33/21.
[2] Tirmîdi, Bir 41. IV, 343.
[3] Eboe Dawoed, Djihad, 21.
[4] Tirmîdi Zoehd, 47. V, 590.
[5] Koran: 103/12.
[6] Boekhari, Rikak, 1. VII, 170.
[7] Tirmîdi, Qiyameh. 1, .IV, 612.
Degene die aan zijn gezondheid denkt en een lang leven wenst hoort zich absoluut te houden aan de volgende adviezen van de profeet (v.z.m.h)
“Een aantal hapjes is voldoende voor een mens om te overleven. Laat degenen die kracht willen verkrijgen om arbeid te verrichten een derde van zijn maag vullen met voedsel, een derde met water en een derde leeg laten om het ademhalen te vergemakkelijken.”[qtip:(1)| Ibn Madje, Et’ime 50]
Volgens onderzoekers is het noodzakelijk om een gedeelte van de maag leeg te laten om makkelijk en diep adem te kunnen halen. Dat een adem die niet volledig genomen wordt, houdt in dat het leven niet volledig geleefd wordt. Ook wordt het bloed zonder dat het volledig gereinigd wordt in de lever, weer verspreid in het lichaam. Zo wordt de gezondheid van de mens geschaad. Want zuurstof die de lever betreedt via ademhaling, reinigt het bloed en alleen door een diepe ademhaling kan het correct worden uitgevoerd. Voor een diepe ademhaling is het dus ook noodzakelijk dat een gedeelte van de maag leeg blijft.
Een mens haalt qua schatting zestien maal adem in een minuut. Tijdens elk volledige ademhaling ademt hij een halve liter lucht. Als we het berekenen ademt een mens ongeveer 11.620 liter lucht per dag in.
Dus het zuurstof wat zich bevindt in die 11.620 liter lucht reinigt ons bloed. Dit kan weer correct uitgevoerd worden door onze lever goed op te blazen. Als we onze maag vullen met voedsel blijft er geen ruimte meer over voor de lever om zich goed op te blazen waardoor er half adem gehaald wordt. Zo zal ook het aantal zuurstof dat naar onze lever gaat gehalveerd worden. Dit zal weer niet voldoende zijn om ons bloed te reinigen waardoor onze gezondheid geschaad zal worden. Onze profeet (v.z.m.h) heeft in een zin heel mooi beschreven hoe schadelijk het is om je maag vol te stoppen met voedsel: “De kinderen van Adam hebben geen schadelijkere holte gevuld dan de maag.” Dus het volstoppen van de maag is het meest slechte wat een mens kan volstoppen.[qtip:(2)| Tirmidi, Zoehd 47]
[1] Ibn Madje, Et’ime 50
[2] Tirmidi, Zoehd 47
Analfabeet betekent: “iemand die geen wereldse opleiding heeft gekend”.
Zijn volgelingen moeten de subtiliteit in dit analfabetisme zeer goed begrepen hebben, aangezien zij die grote profeet (v.z.m.h.) tijdens “de salawat doe’a” (een gebed voor de profeet waarin hij wordt herdacht en vrede voor hem wordt gewenst) met deze eigenschap benoemen: Analfabete Profeet.
Die analfabete profeet (v.z.m.h.) wist niets af van het slechte. Hij hield zich af van alle eerzucht, bedrog, valkuilen en dergelijke in de wereld. Allah heeft Hem (v.z.m.h.) zonder enige onreinheid en als een glanzende spiegel op de wereld gebracht, die Allah zelf heeft verfijnd. Middels deze zuiverheid, genaamd: “ummî” (analfabeet), is de goddelijke openbaring tot Hem (.v.z.m.h.) gekomen.
“Alsof deze persoon met zijn (v.z.m.h.) onschuldige ziel, die de weerspiegeling is van Allah’s openbaring, tijd en ruimte achterwege liet, en de diepste kreken in is gegaan en deze heeft verteld zoals hij (v.z.m.h.) ze zag.”[qtip:1| Said Nursi, Isârat-ul I’caz]
De Beheerder van de Werelden heeft die glorieuze profeet (v.z.m.h.) aan niemand als leerling aangesteld. Met Zijn goddelijke besluit heeft Allah dit voorkomen. Dit lezen is uitgesteld, tot het bevel “Lees!“ geopenbaard werd. De profeet (v.z.m.h.), die dit bevel kreeg, heeft de mensheid de Koran onderwezen. Hij (v.z.m.h.) heeft het universeel boek met zijn (v.z.m.h.) Beheerder’s naam gelezen. Hij (v.z.m.h.) heeft de wijsheden, subtiele betekenissen en doelen daarbinnen verteld. Hij (v.z.m.h.) heeft de waarde, waarheid en doel van de mens onderwezen.
Terwijl hij (v.z.m.h.), die met de gunst van Allah het hiernamaals, de wereld en “Levh-i Mahfoez” aanschouwde, waren de ongelovigen bezig met het aanbidden van de zelfgemaakte beelden. Ze konden noch het heelal, noch henzelf, noch de zelfgemaakte beelden begrijpen. Als ze de waarheid zouden kunnen begrijpen, zouden zij zich niet overgeven aan die beelden. Zij die lazen en schreven onder de ongelovige, waren de koppigste en meest onwetende mensen.
Als we het “Lees!” bevel van de Islam niet goed begrijpen en niet juist afwegen, dan behoren we alle moslims die niet naar school gaan te bestempelen als zij die opkomen tegen dit bevel. Echter, dit is niet mogelijk… De analfabete profeet (v.z.m.h.) die het heelal en de koran met de namen van Allah op de mooiste manier las, sprak niet vanuit zijn (v.z.m.h.) eigen ego en verlangens; de Koran leert ons dit, dus Allah maakt ons dit duidelijk. Van wie moet die glorieuze profeet (v.z.m.h.) iets hebben gelezen, aangezien ieder woord van hem (v.z.m.h.) gekoppeld is aan de wil van Allah?
[1] Said Nursi, Isârat-ul I’caz
Volgens het resultaat van alle unanieme bronnen, ziet zijn voorgeslacht tot aan zijn twintigste voorvader er als volgt uit:
“Mohammed, Abdullah, Sheybe, Hâshim, Abd-i Menaf, Koesay, Kilab. Murre, Kâb, Luey, Galib, Fihr, Mâlik, Nadr, Kinâne, Hoezeyme, Moedrike, Ilyes, Moudar, Nizar, Maad, Adnan.”[qtip:1| Sîre, 1/1-3; Tabakât, 1/55-56; Ensâbü'l-Eşraf, 1012 vd; Taberî, 2/172-180]
Deze verheven individuen zijn de vrome voorvaderen van het Voorbeeld der mensheid. Elk van hen was zeer getalenteerd en had de leiding over een grote gemeenschap. Het licht ging vanuit het voorhoofd van Ismail, over naar dat van hen om uiteindelijk zijn ware eigenaar te treffen. Zijn voorvaderen werden ook met gemak herkend door dit uitzonderlijk stralende licht in hun gezicht. De drager van dat licht was altijd het meest bekwaam en bevond zich altijd in de stam die het meest gezegend was, want die stam werd gezegend omwille van het licht van de meest Geliefde; de enige Roos die vruchten geeft en niet verwelkt.
Bronnen over zijn voorvaderen voor Adnan tot aan Ismail zijn niet volkomen duidelijk. Volgens een aantal geleerden zijn deze: Udd. Moekawwiem, Nahour, Teyrah, Ya’rub, Yeshdjoub, Nabit, Ismail en uiteindelijk Ibrahim.
[1] Sîre, 1/1-3; Tabakât, 1/55-56; Ensâbu'l-Esraf, 1012 vd; Taberî, 2/172-180
De Schepper schiep de vader der mensheid: Adem. Het moment dat Adem zijn hoofd hief en naar het uiterste keek, zag hij dat er met een schitterend licht: “Ahmed” stond geschreven. Nieuwsgierig vroeg hij:
“O mijn Heer, wat is dat?”
Het antwoord van ALLAH:
“Dat is het licht van een profeet uit jouw nageslacht. Zijn naam is: “Ahmed” in de hemelen en “Mohammed” op aarde. Omwille van hem heb ik jou geschapen!”
Het licht dat met heel zijn praal de hemelen verlichtte, schitterde vervolgens als eerst op het voorhoofd van Adem.
Toen Adem en Eva als boetedoening naar de aarde werden gezonden en van elkaar werden gescheiden, bad Adem jaren om vergeven en herenigd te worden met zijn vrouw. Geen van zijn smeekbeden werden aanvaard, totdat hij op een dag smeekte: “O mijn Heer, omwille van Uw liefde voor wiens naam in de hemelen naast de Uwe in licht staat geschreven, vergeef en herenig ons”, waarop ALLAH zijn smeekbede aanvaardde, hen vergaf en herenigde.
Ibrahim
Na Adem werd het licht overgedragen van profeet naar profeet, tot aan de profeet Ibrahim. Ibrahim had twee zonen die beiden profeet waren: Ishaq en Ismail. ALLAH had Ibrahim laten weten dat er vele profeten zouden verschijnen vanuit het nageslacht van Ishaq. Daarentegen was het onbekend of er een profeet zou voortkomen vanuit het nageslacht van zijn lievelingszoon Ismail, wiens baarster de slavin Hadjer was. Het licht op het voorhoofd van Ibrahim werd echter geërfd door Ismail. Ook wist Ibrahim dat de laatste en grootste profeet nog gezonden zou worden. Hierdoor wenste hij hevig dat deze verheven profeet zou verschijnen vanuit het nageslacht van Ismail.
De Kaba was het eerste gebedshuis op aarde, gebouwd door Adem. In de periode van Ibrahim waren er vele jaren verstreken sinds haar bouw, waardoor er weinig van overgebleven was. De Schepper beval Ibrahim dat heilige gebedshuis te herbouwen, waar hij vervolgens gezamenlijk met Ismail onmiddellijk aan begon.
Toen zij het gebedshuis hadden herbouwd, richtten vader en zoon hun geopende handen naar de hemelen en smeekten:
“O Heer! Zendt vanuit ons Islamitisch nageslacht een profeet, opdat hij Uw verzen aan hen (de mensheid) voorleest, het Boek en Uw wetten onderwijst en hen reinigt van zonden.”
Dit smeekgebed was de reden waarom de meest nobele boodschapper van ALLAH had gezegd: “Ik ben het smeekgebed van mijn vader Ibrahim.”
De nakomelingen van Ismail vermeerderden zich naarmate tijd verstreek en ze verspreidden zich over het Arabische schiereiland. De nakomelingen van Adnan ontstonden hieruit, en daaruit weer de nakomelingen van Moedar, waaruit weer de meest uitblinkende en bekwame stam: de Quraish ontstond. In deze stam verkreeg de Hashimi familie het meeste aanzien en was het meest bekwaam.
Dit feit wordt ook door de roos uit de woestijn beschreven:
“ALLAH heeft vanuit de kinderen van Ibrahim, Ismail, vanuit de kinderen van Ismail, de kinderen van Kina, vanuit de kinderen van Kina, de Quraish, vanuit de Quraish de kinderen van Hâshim en vanuit de kinderen van Hâshim, mij gekozen.”
Volgens het resultaat van de unanieme eenstemmig van alle bronnen, ziet zijn voorgeslacht tot aan zijn twintigste voorvader er als volgt uit:
“Mohammed, Abdullah, Sheybe, Hâshim, Abd-i Menaf, Koesay, Kilab. Murre, Kâb, Luey, Galib, Fihr, Mâlik, Nadr, Kinâne, Hoezeyme, Moedrike, Ilyes, Moudar, Nizar, Maad, Adnan.” Deze verheven individuen zijn de vrome voorvaderen van het Voorbeeld der mensheid. Elk van hen was zeer getalenteerd en had leiding over een grote gemeenschap. Het licht ging vanuit het voorhoofd van Ismail, over naar dat van hen om uiteindelijk zijn ware eigenaar te treffen. Zijn voorvaderen werden ook met gemak herkend door dit uitzonderlijk stralende licht in hun gezicht. De drager van dat licht was altijd het meest bekwaam en bevond zich altijd in de stam die het meest gezegend was, want die stam werd gezegend omwille van het licht van de meest Geliefde; de enige Roos die vruchten geeft en niet verwelkt. Fihr
Bronnen over zijn voorvaderen voor Adnan tot aan Ismail zijn niet volkomen duidelijk. Volgens een aantal geleerden zijn deze: Udd. Moekawwiem, Nahour, Teyrah, Ya’rub, Yeshdjoub, Nabit, Ismail en uiteindelijk Ibrahim.
Wij beschikken niet veel kennis over de voorvaderen van de laatste profeet. Hoe recenter hun levensperiode was, des te meer kennis er over hen is vergaard. Hierop volgen korte beschrijvingen van een aantal beroemde voorvaderen van hem.
Koesay
Koesay, de vierde voorvader van de profeet, wiens ware naam Zeyd is, was de eerst geborene van de twee zonen van Kilab. Uit de twee gebroeders was hij degene die geëerd werd met het licht van de laatste profeet welk hem vanaf Adem werd overgedragen. Omdat hij de oudste van de twee was, werd hem een leiderschapstaak binnen het gezin gegeven. De opmerkelijke vaardigheden van Koesay trokken de aandacht van zijn omgeving en in zijn volwassen jaren, werd hij één van de vooraanstaande figuren binnen de gemeenschap. Vanwege zijn buitengewone regelingen, beheer en rechtvaardige beslissingen verkreeg hij in een korte periode veel aanzien binnen het volk. Hierdoor werd hij aangewezen als leider van Mekka. Hij is de eerste die ervoor zorgde dat er wijken kwamen in Mekka, zodat elke stam een eigen buurt had. De belangrijkste kwesties werden in zijn huis besproken en behandeld. Hij was verantwoordelijk gesteld voor voorname taken, zoals het onderhoud van het doek van de Kaba, het verwelkomen van pelgrims, het hijsen van hun vlag tijdens strijd en het voeren van beleid in Mekka. Het eerste huis tegenover de Kaba met de deur naar haar gericht, werd voor hem gebouwd.
Koesay werd onuitzonderlijk door iedereen geliefd en gerespecteerd. Het licht dat hij droeg van de meest Geliefde, maakte hem bij iedereen het meest geliefd. Naarmate hij ouder werd, gaf hij zijn oudste zoon Abdoeddâr steeds meer verantwoordelijkheidstaken binnen het gezin en zei “Mijn geliefde zoon, ik wijs jou als leider aan van deze stam.”
Abdoeddâr beschikte echter niet over de vaardigheden om deze grootse taak uit te kunnen voeren. Ook heeft hij zijn vader nooit waardig kunnen vervangen, want het licht glansde niet op zijn voorhoofd, maar op dat van zijn kleine broertje: Abd-i Menaf, wiens aantal zonen vier was: Hâshim, Abdoeshems, Moettalib en Newfel.
Abd-i Menaf
De derde voorvader van de laatste profeet versterkte de diplomatieke en economische zaken met het buitenland en zorgde voor meer aanzien in Mekka. Een aantal landen, waaronder de toenmalige twee supermachten: het Perzische en Byzantijnse rijk, gaven hem de toestemming om wederzijds handelkaravanen te zenden voor handel.
Hâshim
Hâshim, de tweede voorvader van de Verkorene was een handelaar en stond bekend om zijn vrijgevigheid. Doordat de komst van de ware eigenaar van het licht naderde, schitterde het steeds stralender op het voorhoofd van de overdrager. Hâshim beschikte over vele bijzondere vaardigheden en was uitermate vrijgevig.
Tijdens een jaar van schaarste was er in Mekka geen brood meer te vinden. Hâshim arriveerde uit Damascus met een speciaal soort meel waar hij sneeuwwitte broodjes van liet maken. Vervolgens liet hij vele kamelen en schapen slachten en gaf van het brood, vlees en bouillon een groot feestmaal aan heel het volk van Mekka.
Vanwege zijn bijzondere bekwaamheid, eerbied, liefde, vrijgevigheid en zijn verheven karakter dat door iedereen werd geliefd en gewaardeerd, werden zijn nakomelingen tot aan Mohammed, de Hashimi genoemd.
Hâshim had vier zonen: Sheybe (Abdoelmuttalib), Esed, Eboe Sayfî en Nadle. Zijn nakomelingen werden voortgezet door Sheybe en Esed. Sheybe was de opa van de laatste boodschapper. Esed was de oom van de moeder van Imam Ali.
Sheybe
Oftewel de opa van de eigenaar van het licht kreeg deze naam (Witharig) wegens zijn witte haren tijdens zijn geboorte naam. Echter was Abdulmoettalib zijn bijnaam waar hij meer bekend om stond.
De reden waarom hem deze bijnaam werd gegeven, wordt als volgt verhaald:
In zijn kinderjaren verbleef Sheybe in Medina bij zijn ooms. Op een dag hielden zijn buurtvrienden een boogschietwedstrijd tegen kinderen uit andere buurten. Tussen alle kinderen viel hij het meest op vanwege het licht van zijn toekomstige kleinzoon op zijn voorhoofd. Er was ook een grote groep volwassenen aanwezig om de wedstrijd van de kinderen te volgen.
Het was Sheybe zijn beurt om te schieten. Hij plaatste zijn pijl op zijn boog, spande het draad vol zelfvertrouwen aan, hield een ogenblik zijn adem in en liet het draad los. De pijl dat uit zijn boog schoot, raakte precies de roos. Terwijl iedereen hem vol verbazing aanstaarde, riep hij uit vreugde: “Ik ben de zoon van Hâshim, de zoon van de heer Bethâ; mijn pijl raakt vanzelfsprekend zijn doel!”
Het volwassen publiek vernam deze trotse woorden van Sheybe. Iemand onder de zonen van Haris bin Abd-i Menaf naderde hem en door hem te ondervragen, ontdekte hij dat Sheybe een zoon was van Hâshim. Deze man bezocht Mekka en beschreef de situatie aan Moettalib, de oom van Sheybe, en vertelde hem dat het niet gepast is om zo een intelligent en talentvol kind in een onbekende streek te laten verblijven. Moettalib vertrok daarop meteen naar Medina om zijn neef naar Mekka te halen. Eenmaal met Sheybe aangekomen in Mekka, werd hem gevraagd: “Wie is dit kind?” Uit angst voor afgunstige blikken zei hij: “Dit is mijn slaaf”. Toen hij thuis kwam en zijn vrouw hetzelfde vroeg, zei hij weer “Mijn slaaf”. De volgende dag wandelde Sheybe door de straten met nieuwe en opvallende kleren aan die zijn oom voor hem had gehaald. Iedereen vroeg zich af wie het was en degenen die er om vroegen, kregen als antwoord: “Abdulmoettalib” (slaaf van Moettalib). Al kwam later boven water wie hij echt was, zijn bijnaam bleef: “Abdulmoettalib”.
De Droom van Abdulmoettalib
Vele jaren waren verstreken en inmiddels was hij de leider van Mekka geworden. Het was een warme zomerse dag. In de schaduw naast de Kaba op een plek welke Hidjr genoemd wordt, hield hij een middagslaap. Hij verkeerde zich in een droom waarin een persoon verscheen die het volgende naar hem uitriep:
“Sta op en graaf Tayyibe op!”
Hij vroeg: “Wat is Tayyibe?”
Zonder antwoord te geven, verdween die persoon.
Abdulmoettalib werd opgewonden wakker en vroeg zich af wat “Tayyibe” betekende. Hij wilde weten wat het inhield om “Tayyibe” op te graven. Volledig onder invloed van die droom, kwam er een einde aan die dag.
De volgende dag hield hij weer een middagslaap op dezelfde plek. Hij begon te dromen en zag dezelfde man weer verschijnen die deze keer het volgende naar hem uitriep:
“Sta op en graaf Berre op!”
Abdulmoettalib vroeg met volle verbazing:
“Wat is Berre?”
Zonder reactie verdween die man weer.
Abdulmoettalib werd dit keer wakker met nog meer spanning en nieuwsgierigheid. Hoe zeer hij er ook een betekenis aan wilde geven, de boodschap van die droom bleef een raadsel. Zijn dag verstreek alweer vol met onbeantwoorde vragen.
De volgende dag sliep hij weer op dezelfde plek en dezelfde man verscheen weer in zijn droom. Hij riep uit:
“Sta op en graaf Mednoene op!”
Tijdens zijn diepe slaap vroeg Abdulmoettalib weer:
“Wat is Mednoene?”
Wederom verdween die man zonder te reageren.
Hij werd wakker en zijn nieuwsgierigheid had nu haar hoogtepunt bereikt. Uiteraard wist hij dat een droom die hij drie dagen achterelkaar ziet niet betekenisloos was, maar hij had ook geen enkel idee of hint waar hij iets mee kon.
De vierde dag sliep hij weer op dezelfde plek en dezelfde man verscheen weer en riep deze keer:
“Sta op en graaf Zemzem op!”
Abdulmoettalib vroeg hem: “Wat is Zemzem?” waarop de man antwoordde:
“Zemzem is een watersoort met een onuitputtelijke bron waarvan de bodem onbereikbaar is. Je kunt er de waterbehoefte van de pelgrims mee voorzien. Zij bevindt zich tussen de plaats waar het bloed van de offerdieren stromen en de plaats waar uitwerpselen worden begraven. Een kraai met gekleurde vleugels zal daar pikken. Er bevindt zich daar een mierennest.”
Vol enthousiasme werd Abdulmoettalib wakker nu hij eindelijk in bezit was van de ontbrekende hint. Hij had veel gehoord over de Zemzembron, maar niemand wist waar die bron zich bevond. In het verleden, toen het volk van Mekka vluchtte voor vijandelijke veroveraars, gooide het volk alle waardevolle bezittingen in de Zemzembron en vulden het vervolgens met zand. Ze begroeven het zodanig dat er geen spoor meer van die bezittingen of de bron te zien was. Sindsdien was de Zemzembron spoorloos.
Abdulmoettalib had begrepen dat hij was aangesteld om de Zemzembron op te graven. Hij begon zijn onderzoek meteen en bezocht de beschreven plek in zijn droom. Hij zag daar een kraai met gekleurde vleugels dalen en landen op een grond waarin zij enige tijd begon te pikken. Vervolgens steeg ze weer op en vloog weg.
De vreugde van een persoon die geëerd wordt met het opgraven van een legendarische bron is niet te beschrijven, het is slechts voorstelbaar. De plek waaronder zij begraven lag, was gevonden, nu was het tijd om haar op te graven. Om door anderen niet van deze eer beroofd te worden, vertelde hij dit geheim aan niemand en nam de volgende dag alleen zijn zoon Haris mee naar die plek, waar ze begonnen te graven. Na een tijdje graven, waren de eerste paar keien die zich in een cirkelvorm om de Zemzembron bevonden, te zien. Vader en zoon groeven vol vreugde door en prezen God voor deze grote gift.
Een aantal onder de Quraishieten die hen vanaf het begin van hun verrichting al schaduwden, informeerden alles aan de machthebbers van de Quraish toen ze uiteindelijk beseften wat er werkelijk gaande was. Even later werd Abdulmoettalib benaderd door een aantal machthebbers, zij spraken hem aan: “O Abdulmoettalib! Dit is de bron van onze voorvader Ismail, ook wij hebben er recht op. Benoem ons tot medebezitters.”
De reactie van Abdulmoettalib: “Nee dat kan ik niet doen. Slechts ik ben aangesteld tot deze taak en het is enkel mij geschonken onder ons.”
Het heldere antwoord van Abdulmoettalib beviel de machthebbers van de Quraish niet, waarop Adiyy bin Newfel zei:
“Jij bent slechts één man. Buiten je enige zoon om heb jij nergens steun. Waar haal jij het lef vandaan om opstand te tonen en ons tegen te spreken?”
Deze opmerking viel Abdulmoettalib zwaar in de maag, want het volk van Quraish kleineerde hem om het feit dat hij maar één zoon had. Hoe erg deze woorden hem hadden getroffen was aan zijn houding af te lezen. Na een moment stilte, uitte hij zich:
“Dus jij kleineert mij om mijn eenzaamheid?”
Toen er geen reactie kwam vanuit het midden van de machthebbers, richtte hij zijn geopende handen en gezicht naar de hemel en zei: “Als ALLAH mij tien zonen schenkt, zal ik één van hen naast de Kaba offeren.” Deze woorden waren zowel een smeekbede als eed.
Abdulmoettalib wist dat er geen einde was gekomen aan deze onenigheid en dat deze zou escaleren. Door zulke gebeurtenissen kwamen vaker bloederige confrontaties voor in het verleden. Hierdoor zette hij het graven even stop en stelde voor om dit conflict op te lossen middels een scheidsrechter. Zijn voorstel werd aanvaard en als scheidsrechter werd Sa’d bin Hoezeym uit Damascus gekozen.
Abdulmoettalib die vergezeld werd door een aantal van zijn ooms, vertrok met een groep van de machthebbers richting Damascus. Het Goddelijk bepaalde lot schonk hun onderweg echter een vlottere oplossing voor hun onenigheid. Het water van Abdulmoettalib en zijn naasten raakte op. Midden in de woestijn, onder de zon bestaat er geen grotere vijand dan dorst. Toen hij de groep van de machthebbers om water vroeg, kreeg hij als antwoord: “Het water waarover wij beschikken is net voldoende voor ons.”
Abdulmoettalib en zijn naasten verkeerden zich in levensgevaar. Zoeken naar water midden in de woestijn is zoiets als zoeken naar een speld in een hooiberg. Desondanks was Abdulmoettalib vastberaden om water te zoeken. Hij wilde zijn kameel bestijgen om op zoek te gaan, tot hij plotseling sprankelend water zag onder één van de poten van zijn kameel. Hij en zijn naasten geloofden niet wat zij zagen en Abdulmoettalib begon met zijn zwaard de omtrek van het plasje te verbreden, waarop het water helderder begon te stromen. Het groepje dat geen water schonk aan hen, bleef hen vol verbazing aanstaren.
Abdulmoettalib en zijn gezelschap dronken van het sprankelende water, lesten hun dorst en die van hun dieren. Vervolgens keerde Abdulmoettalib zich naar het groepje machthebbers dat hen geen water schonk en zei:
“Kom naar het water! God heeft ons water geschonken! Kom, drink en laat jullie dieren ervan drinken, waar wachten jullie op?”
Beschaamd liep het groepje richting de bron. Zij lesten hun dorsten en die van hun dieren en nadat ze hun kruiken met bedorven water leegden, vulden zij ze met het verse water. Hun houding tegenover degene die hen water aanbood terwijl zij het hem weigerden, veranderde opeens. Ze keerden zich vol schaamte naar Abdulmoettalib en zeiden: “O Abdulmoettalib, wij zullen jou niet meer tegenspreken. Wij hebben begrepen dat jij de enige bent die het waard is om de Zemzembron op te graven. Wij zweren dat wij nooit meer zullen discussiëren met jou om de Zemzembron. We vinden het ook niet meer nodig om de scheidsrechter te bezoeken”. Zo keerden zij zich halverwege met zijn allen weer terug naar Mekka.
Eenmaal gearriveerd in Mekka, groeven vader en zoon verder en de volledige Zemzembron kwam in een korte tijd tevoorschijn.
De begraven Schatten
Er bevonden zich waardevolle spullen in de Zemzembron, waaronder twee hertenstandbeelden van goud, zwaarden en schilden. De gemachtigden van de Quraish die hem alle rechten van de Zemzembron toekenden, werden weer overwonnen door hebzucht toen ze deze schatten zagen.
Wederom benaderden zij Abdulmoettalib:
“O Abdulmoettalib, wij zijn mede-eigenaren van deze schatten, wij hebben er ook recht op.”
De geduldige Abdulmoettalib antwoordde: “Nee, jullie hebben helemaal geen enkel recht op deze spullen.” Even later zorgde zijn zachtmoedigheid er weer voor dat hij als volg reageerde:
“Laat ik mij maar alsnog mild opstellen jegens jullie. Laten wij erom loten.”
De Quraishieten die hier vergenoegd om raakten, vroegen: “Hoe en op wat voor wijze gaan we deze loting uitvoeren?”
Abdulmoettalib: “Laten wij twee lootjes voor de Kaba, twee lootjes voor mij en twee lootjes voor jullie trekken. De loting bepaalt wie wat krijgt.”
Dit was een onpartijdige regeling en hierdoor uitten de Quraishieten hun tevredenheid door hem te prijzen om zijn voorstel: “Dit is de beste oplossing. Je hebt zeer redelijk gehandeld.”
Ze betraden de Kaba en gingen loten tegenover het afgodsbeeld genaamd Hoebal. De loting maakte nogmaals duidelijk dat de machthebbers van de Quraish geen recht hadden op de schatten. De twee hertenbeelden van goud vielen voor de Kaba, de zwaarden en schilden vielen voor Abdulmoettalib. De machthebbers verkregen niets en omdat ze instemden met deze oplossing, hadden ze geen excuus om het resultaat tegen te spreken.
Abdulmoettalib liet de wapens en herten smelten om de poort van de Kaba te bezegelen met goud. Zo behoorde hij tot hen die de Kaba met goud versierden.
Zijn Eed
Er waren dertig jaren verstreken en zijn leeftijd had de zeventig bereikt. Hij had inmiddels tien zonen gekregen. Zijn eed was hij niet vergeten en hij was niet van plan om die te verbreken, maar welke van de tien moest hij offeren? De één was mooier dan de ander, allen waren zijn oogappels. Abdullah was echter anders. Hoe bijzonder de rest ook was, zij konden niet tippen aan de innerlijke en uiterlijke schoonheid van het tweelingbroertje van Oemmoe Hakîm: Abdullah, de jongste zoon van Abdulmoettalib. Abdullah had namelijk het licht van zijn vader geërfd om het over te dragen naar zijn eigen zoon der zonen; de ware eigenaar van het licht dat elke drager ervan zegende.
Alle tien zonen van Abdulmoettalib waren groot geworden. Op een dag verzamelde hij hen allen, vertelde over zijn eed en maakte duidelijk dat hij één van hen zou offeren. Zonder tegenspraak reageerden al zijn zonen tevreden op zijn eed. Daarna vroegen zij hun vader:
“Hoe gaan wij dit doen? Hoe gaan wij bepalen wie van ons geofferd moet worden?”
Abdulmoettalib beval hen:
“Laat elk van jullie een pijl pakken. Schrijf jullie namen op jullie pijl en geef deze aan mij.”
De gehoorzame kinderen van hem volbrachten hun vaders wens ter plekke. Abdulmoettalib pakte één voor één de pijlen van zijn zonen en liep rechtstreeks naar de Kaba. Naast het afgodsbeeld Hoebal zou er een pijl getrokken worden en wiens naam op de getrokken pijl staat, was het offer. Het volk van Mekka had zich om hem heen verzameld. Vastberaden stond hij tegenover de aangestelde ambtenaar met de pijlen in zijn handen. De ambtenaar greep één van de pijlen en trok hem langzaam uit zijn hand. Hij las de naam op de pijl met een trillende stem op: “ Ab-dul-lah”.
De barmhartige vader wilde niet geloven wat hij hoorde. Hij pakte de pijl uit zijn handen en las: “Abdullah”.
Op slag waren zijn ogen gevuld met tranen. Hij kon zijn snikken niet stoppen. Zijn verdriet was dusdanig geworden dat hij wel kon weeklagen, maar hij herinnerde zich zijn eed aan God en liet zijn emoties zwijgen. Bedroefd wendde hij zich naar Abdullah en zei:
“Abdullah, mijn zoon! ALLAH koos jou als Zijn offer! Tussen jouw broeders heeft Hij deze eer aan jou geschonken.”
Dit hartverscheurende nieuws bracht droefenis bij hen die aanwezig waren. Iedereen vroeg zich af waarom Abdullah, zijn meest geliefde zoon, het offer moest zijn. Abdulmoettalib negeerde zijn emoties die hem weerhielden om zijn eed aan God te volbrengen en bracht zijn zoon naar de afgodsbeelden Isâf en Nâile.
De overgave van Abdullah deed men denken aan die van Ismail, geen spoor van ontevredenheid was te zien in zijn glanzende gezicht. Abdulmoettalib hield in zijn ene hand een mes en in zijn andere de hand van zijn lievelingszoon vast. Alles was klaar voor het offerritueel. Een menigte kwam plotseling tevoorschijn en onderbrak het ritueel, vragende aan Abdulmoettalib waar hij mee bezig was. Kijkend naar zijn zoons gezicht gaf hij als antwoord: “Ik ga hem offeren”. Zijn antwoord zorgde voor grote ophef in de menigte. Zij kwamen in opstand en zeiden: “Als jij als voorbeeldpersoon en als oudere van Mekka zoiets uitvoert, zullen velen jouw hierin volgen. Wat gaat er gebeuren met ons nageslacht als dit ritueel een gewoonte wordt in Mekka?”. De hele menigte, zijn gevoelens en alles buiten zijn standvastigheid om, waren tegen zijn daad. Maar niets kon hem weerhouden om zijn eed aan zijn Schepper te volbrengen, want zijn Heer had hem geschonken wat hij wilde. Als hij zijn eed niet zou volbrengen, zou dit een grote ondankbaarheid zijn.
De Waarzegster
Abdullah bin Moegire, de oom van Abdullah (moeders kant), sprong ertussen en zei: “Bij ALLAH, als jij geen geldige reden hebt om hem te offeren, dan kun je het ritueel niet uitvoeren. Wij zullen als nodig onze volledige rijkdom opofferen voor zijn redding”.
Al waren de gevoelens van Abdulmoettalib het eens met deze woorden, zijn stalen standvastigheid deed hem zijn eed alsnog niet verbreken. Toen de Quraishieten beseften dat geen woord hem kon overhalen, boden ze hem het volgende aan:
“O Abdulmoettalib, neem je zoon mee en bezoek de bekende waarzegster in Damascus. Zij wordt wereldwijd bezocht door mensen met dergelijke problemen en vinden bij haar een uitweg. Vraag haar om raad, als zij zegt dat jij hem moet offeren, doe het dan. Mocht zij een manier vinden die Abdullah, jou en ons behaagd, voer die dan uit”.
Dit idee overtuigde Abdulmoettalib uiteindelijk. Zonder tijd te verspillen, vertrok hij met zijn zoon richting Damascus. Toen zij aankwamen in Medina, ontdekten zij echter dat de waarzegster in Gayber was, wat voor hun positief uitpakte aangezien Gayber dichter in de buurt ligt van Medina dan Damascus.
Eenmaal in Gayber aangekomen, bezochten zij de waarzegster en legden haar de situatie uit. Zij vroeg hen hoeveel bloedgeld een mensenleven kost in Mekka. “Tien kamelen” antwoordde Abdulmoettalib. Zij beschreef de oplossing: “Neem dan je kind mee naar de plaats waar jullie de loting hebben gehouden. Plaats tien kamelen en uw zoon tegenover elkaar, pak twee pijlen; één voor uw zoon, één voor de kamelen en begin weer te loten. Mocht het lot vallen op de kamelen, slacht de kamelen dan en redt uw zoon. Valt het lot op uw zoon, vermeerder het aantal van de kamelen dan met tien, herhaal dit tot Uw Heer tevreden is en het lot valt op de kamelen. Offer dan de kamelen en win zo de tevredenheid van uw Heer en red uw kind van het offer.”
Deze oplossing van de waarzegster stelde Abdulmoettalib meer dan tevreden. Wanneer zij arriveerden in Mekka en het volk het nieuws te horen kreeg, was iedereen opgelucht. Voordat hij haar oplossing bewerkstelligde, verrichte hij smeekbeden en gebeden om zeker te zijn dat het resultaat God tevreden zou stellen.
Hij nam vervolgens tien kamelen en zijn lievelingszoon mee naar de Kaba, stond tegenover de aangestelde ambtenaar met de twee pijlen en zei vrolijk: “Trek een pijl”. Op de getrokken pijl stond wederom “Abdullah”. Het aantal kamelen werd vermeerderd met tien, de ambtenaar trok weer een pijl waar weer de naam van zijn zoon opstond. De naam van Abdullah viel telkens en het aantal kamelen werd aldoor vermeerderd met tien. Uiteindelijk, toen het aantal kamelen de honderd had bereikt en Abdulmoettalib na elke loting een smeekbede verrichtte, viel het lot op de kamelen. Zoals bij alle aanwezigen, straalden de ogen van Abdulmoettalib van vreugde, alhoewel het niet lang van duur was, want twijfels overheersten zijn hart. Om zich te verlossen van deze twijfels, besloot hij om nogmaals te loten. Zoals er gezegd wordt “drie keer scheepsrecht”, werd na drie extra lotingen duidelijk dat God tevreden was met deze uitslag want alle drie keren viel het lot op de kamelen. Uit vreugde prees Abdulmoettalib de Almachtige.
Honderd kamelen werden tussen de heuvels van Saffa en Merwe op een rij gelegd voor het grote offerritueel. Het volk van Mekka profiteerde enorm van het daaruit voortgekomen vlees en zelfs de wilde dieren en vogels hadden ontzettende baat bij de resten van de offers. Na deze gebeurtenis steeg het bloedgeld van tien kamelen, naar honderd. Deze regel bleef ook na de komst van de Islam onveranderd.
Deze gebeurtenis werd samen met die van Ismail ook bevestigd door de laatste boodschapper van ALLAH wanneer een bedoeïen hem: “Zoon van twee aangestelde offers” noemde en de laatste profeet zijn woorden bevestigde met de volgende woorden: “Ik ben inderdaad de zoon van twee aangestelde offers.”
Hoewel er in de heilige boeken, buiten de Koran, geknoeid is door mensen, is er alsnog een grote gelijkenis in de namen en kwaliteiten van de Profeet Mohammed (vzmh) in de verschillende kopieën van die heilige boeken.
De Heilige Koran kondigt aan dat Allah de Almachtige gidsen en profeten van tijd tot tijd heeft gestuurd en middels wahi (de openbaring van God’s woord aan de profeten middels Gabriel) regels, orders en boeken heeft neer laten dalen. Uitgaande hiervan, heeft de Koran het over de Schriften van Abraham (vzmh), de Thora van Mozes (vzmh), de Psalmen van David (vzmh), en tenslotte de Indjiel (Bijbel) van Jezus. Uit de zinsnede "de boeken van de antecedenten," kan worden gehaald dat zij mogelijk verwijst naar een aantal van de boeken van Zoroasters en Brahmanen.
De aanwijzingen in de oude Perzische geschriften:
De religie van de Perzen was de oudste godsdienst in de wereld na het hindoeïsme. Hun heilige geschriften werden samengebracht in twee bronnen, genaamd: Desatir en Zendavesta. In Desatir no: 14, zijn er een aantal principes geschreven die betrekking hebben op de Islam en op de komst van de Profeet Mohammed (vzmh). Deze is als volgt:
"Wanneer Perzen een laag niveau in moraliteit bereiken, zal er een licht glanzen in Arabië. Zijn volgelingen zullen zijn troon, religie en alles verheffen. Een gebouw was daar neergezet (dit verwijst naar Ka’aba), en in dat gebouw waren er vele standbeelden die opgeheven zouden worden. De mensen zullen met hun gezicht daarnaar gericht bidden. Zijn volgelingen zullen Perzië, Taus en Balh veroveren en vele wijze mannen uit Perzië zullen bij hem aansluiten. "
Zoals uit het hierboven geschrevene openlijk blijkt, zal de Islam en Zijn Profeet (vzmh) eeuwen later schijnen. Ook staat er geschreven dat deze profeet (vzmh) de standbeelden zal opheffen met de titels: "zeer veel geprezen", "Ahmed" en "genade voor alle werelden”.
In hoofdstuk 13, deel 129 van het boek Yasht, zijn dezelfde waarheden weer aangehaald en de persoon die de standbeelden zal opheffen "een genade voor alle werelden” genoemd. Zoals bekend, is een van de namen van de profeet Mohammed "rahmeten-lil-alemin" (degene die een genade is voor alle werelden).
De tekenen in de Indiase heilige geschriften:
In het Indiase Heilige Schrift, zoals Paru 8, Khand 8, Adhya 8 en Shalok 5-8, is er als volgt over de Profeet Mohammed (vzmh) gesproken:
"Een zielse discipliner mellacha (vreemde taal spreken en wonen in het buitenland), genaamd Mohammed, zal met Zijn metgezellen komen. Na zijn komst, zal hij zich in Raja, Punjabi, Ganj rivieren wassen... Ze zeggen: "Hé jij! De trots van de mensheid, de inwoner van het land Arabië, je hebt een grote macht verzameld om Satan te doden." (Prof. Dr. Muhammed Hamidullah, de interpretatie van De Heilige Koran)
Het is heel opvallend dat de naam van de Profeet Mohammed (vzmh) is geopenbaard zoals die is. De woorden "de trots van de mensheid", die in dezelfde zin geschreven staan, hebben dezelfde betekenis als de naam "Fahr-i Alem" (de trots van de mensheid) van de Profeet Mohammed (vzmh).
Boeddha spreekt over een heilig persoon die na zijn dood de wereld zal eren. De naam van deze persoon die voorkomt als "Matteya" in Palice taal, "Maitreya" in het Sanskriet, "Armidia" in de Birmaanse taal, zal mild- en goedhartig zijn en mensen naar het jusite pad uitnodigen. De betekenis van de namen die Boeddha lang geleden had gemeld, is "genade". Zoals bekend, zegt de Koran over de profeet Mohammed (vzmh) in Soera Enbiya (21. soera/107.regel), "We stuurden u als een genade voor de volken."
Eén van de manuscripten zegt het volgende:
"Boeddha zei: Ik ben niet de eerste 'Boeddha' (gids) die op de wereld is gekomen en zal ook niet de laatste zijn. Enige tijd later zal een ander persoon op de wereld komen. Hij is heilig, verlicht en iemand met extreme potentie om te leiden. Hij zal jullie de eeuwige waarheden leren die ik jullie leer... Ananda (was één van de belangrijkste leerlingen van Gautama Boeddha) vroeg: "Hoe zal hij gekend worden?” Boeddha antwoordde: “Hij zal gekend worden als Maitreya (genade)".
In de Pali en Sanskriet manuscripten is de naam van deze aankomende en gezegende persoon Maho, Maha, en Mettab. De eerste twee namen betekenen "grote verlichter" en de laatste "barmhartige", die allemaal de eigenschappen zijn van Profeet Mohammed (vzmh). Als er zorgvuldig wordt gekeken naar deze namen, zijn deze Mohamet en Mahamet, die de oorspronkelijke naam van de Profeet Mohammed (vzmh) zijn, afgeleid van de woorden "Maha" en "Metta”.
Laten we ons onderzoek vervolgen met de Thora, Indjiel (Bijbel), en Psalmen. Het meest gedetailleerde onderzoek dat ooit is uitgevoerd op dit punt, behoort tot Huseyin-i Jisree. Deze Syrische geleerde, die tussen 1261-1327 leefde volgens de Islamitische kalender, waarvan de ouders afstammeling waren van de familie van profeet Mohammed (vzmh), heeft 114 aanwijzing naar onze Profeet (vzmh) uit deze boeken gehaald. Deze zijn ook vermeld in het naar het Turks vertaalde "Risale-i Hamidiyye”.
Zelfs in de Thora, één van het oude Heilige Geschrift dat vele aanpassingen kent door de jaren heen, zijn er aanwijzingen naar de Profeet Mohammed (vzmh):
"En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking. " (Jesaja XXI, 7)
De profeet Jesaja (vzmh) kondigt hier aan dat de persoon die een ezel berijdt, Profeet Jezus (vzmh) is. Jezus (vzmh) betrad Jeruzalem namelijk op de rug van een ezel. Het is duidelijk dat de andere persoon op een kameel Profeet Mohammed (vzmh) is. Hij betrad Medina op de rug van een kameel.
In de Bijbelvertalingen zijn de woorden Faraklit en Parakleet (perikletos) hetzelfde gebleven zoals ze zijn. In de recente Bijbelvertalingen zijn deze woorden gewijzigd. Deze woorden worden in het Arabisch vertaald als “muazzi” en in het Turks als “trooster“.
In het geschrift van Shoe’aib (vzmh), komt de naam van de profeet Mohammed voor als “Museffeh”. De letterlijke equivalent hiervan is "Mohammed". Ook de naam "Munhemenna" in de Thora, is opnieuw "Mohammed". In het woordenboek is de betekenis van Mohammed: “vele malen geprezen". Verder luid de naam van Profeet Mohammed (vzmh) in de Thora als "Ahyed" en in de Bijbel als "Ahmet ".
We eindigen dit topic met een Hadith:
"Mijn naam is Mohammed in de Koran, Ahmad in de Bijbel, en Ahyed in de Thora."
Beste broeder/zuster,
Het huwelijksverzoek van de Profeet (vzmh) aan Aisha (r.a.) was 10 jaar na het begin van de Vahy, oftewel de openbaring. Aisha was vijf of zes jaar voor het begin van de openbaring geboren. Toen Aisha (r.a.) minstens 17-18 jaar oud was, trouwde zij met de Profeet (vzmh).[qtip:1| Mevlana Shibli “Profeet Mohammad”]
Wanneer we de biografie van Esma (r.a.), de oudere zus van Aisha (r.a.), bekijken, is het eenvoudiger vast te stellen hoe oud Aisha (r.a.) toen was. Esma (r.a.) was tijdens de Hijara 27 jaar oud. Aisha (r.a.) was 10 jaar jonger dan Esma (r.a.). Hierbij kunnen we concluderen dat Aisha (r.a.) tijdens de Hijara minstens 17 jaar oud was en dat zij na de Hidjra met onze Profeet (vzmh) trouwde.
Voordat Aisha (r.a.) met onze Profeet (vzmh) trouwde, was zij verloofd met Coebeyr bin Mut'im. Dit toont ook nog eens aan dat zij haar huwelijksleeftijd had bereikt toen zij met onze Profeet (vzmh) trouwde.[qtip:2| Hatemoe'l Anbiya Hz. Mohammed en zijn leven, Ali H. Berki, Osman K., p. 210]
[1] Mevlana Shibli “Profeet Mohammad”
[2] Hatemoe'l Anbiya Hz. Mohammed en zijn leven, Ali H. Berki, Osman K., p. 210
AbdulKadir-i Geylani, een grootheid onder de oordelaars en geleerden van de rechten en Hadith, zegt:
Tijdens de nacht van de Miraj heeft Profeet Mohammed, God gezien. Want Cabir bin Abdullah heeft gezegd dat toen in Soerah Necm, de Ayah “Hij heeft Hem zeker gezien” werd geopenbaard, onze Profeet (vzmh) “Ik heb Hem zeker gezien” heeft gezegd. In het zelfde vers, toen Ayah “Naast Sidretoel Moenteha” werd geopenbaard, heeft onze Profeet (vzmh) “Ik heb bij Sidretoel Moenteha mijn Heer gezien. Het was zo dat Zijn Goddelijke verlichting, mij openlijk werd laten zien” heeft gezegd. Bij het uitleg van Soerah Isra, vers 17, heeft Ibni Abbas (ra) gezegd: “Tijdens de Miraj heeft de Profeet (vzmh) God gezien.”[qtip:1| Gunyetu’t talibin]
Imam Rabbanî heeft gezegd:
“Die Reiziger heeft tijdens de Miraj Zijn God niet in deze wereld, maar in het hiernamaals gezien. Want die reiziger stond die nacht buiten de tijd en ruimte. Hij was aanwezig in een tijd die er altijd is geweest en zal zijn. Hij heeft het begin en het eind als één punt gezien. Die nacht heeft Hij (vzmh) hen gezien die over duizenden jaren de hemel binnen zullen treden en daar zullen zijn. Op die plek zien, is niet het wereldse zien, maar zien zoals in het hiernamaals zal gebeuren. Zeggen dat Hij (vzmh) Hem in deze wereld heeft gezien, dient als beeldspraak. Dit is gezegd omdat hij van deze wereld weg was om God te zien en weer weder is gekeerd naar deze wereld.”[qtip:2| Mektubat, 283]
God is niet in deze wereld te zien. Hij die zegt dat dit kan, is een leugenaar. Als dit in deze wereld gegund zou zijn, zou als eerst Profeet Moesa Hem zien. Terwijl onze Profeet (vzmh) met deze gunst is gezegend, is dit niet in deze wereld gebeurd. Hij (vzmh) betrad de hemel, en zag Hem daar. Hij (vzmh) heeft Hem dus in het hiernamaals gezien.[qtip:3| Mektubat,17]
De hooggeëerde Halid-i Bağdadî zegt: “Rasoeloellah (vzmh) heeft God tijdens de Miraj gezien. Dit zien is niet hetzelfde zien als in deze wereld.[qtip:4| Itikadname]
In de Koran wordt gezegd: “Wie in deze wereld blind is, is ook in het hiernamaals blind.” Dit geldt alleen voor de ongelovigen. De gelovigen zullen in het hiernamaals God zien.[qtip:5| Berîka]
De Ehl-i Soennah (mensen van de Soennah) geleerden zeggen: “De gelovigen zullen God zien, maar de ongelovigen zullen Hem in de hel niet zien.”
Wanneer Imam Shafii en Imam Malik het vers “De ongelovigen zullen die dag ontbeerd worden van het zien van God” uitleggen, vertellen ze het volgende: “Dit vers is een bewijs dat de gelovigen God zullen zien. Als dat niet het geval zou zijn, zou er niet gezegd worden dat de ongelovigen Hem niet zullen zien.”[qtip:6| Hazin]
Wanneer Imam Rabbani vers 103 van Soerah En’am uitlegt, zegt hij: “De gelovigen zullen God zien.”[qtip:7| c.3, m. 44 en 90]
De vrome Abdulhak-i Dehlevî zegt: “Zoals in de wereld God geweten zal worden zonder Hem te begrijpen, zo ook zal Hij in het hiernamaals gezien worden zonder Hem te begrijpen.”
Samengevat: Roeyet (God zien) is geaccepteerd door de geleerden van de mensen van de Soennah. Onze Profeet (vzmh) heeft tijdens de Miraj God gezien, maar het is niet mogelijk om de betekenis van dit zien te begrijpen met ons begrensde verstand en inzicht te vatten.
[1] Gunyetu’t talibin
[2] Mektubat, 283
[3] Mektubat,17
[4] Itikadname
[5] Berîka
[6] Hazin
[7] c.3, m. 44 en 90
Doordat het in de Arabische gebieden zeer warm was, ging de Profeet (v.z.m.h.), wanneer er geen belangrijke dingen waren, samen met zijn metgezellen rusten middels een middagdutje. Hiermee spaarde Hij (v.z.m.h.) kracht voor de tahadjoed (aanbidding in de nacht).
Dit middagdutje, oftewel kayloele, is ongeveer 15 min voor het doehoer edhan tot 15 min daarna.
De hadith:
"Profiteer van Kayloele om ('s nachts) wakker te kunnen worden voor het nachtgebed en de maaltijd voor het vasten." [qtip:(1)| İbn Mâce, Savm, 22]
geeft ons hier een duidelijk beeld van.
Nabi komt van het woord “nebe” en betekent nieuws. Een Nabi is een persoon die wordt verkozen door God en krijgt bepaalde Goddelijke taken aangwezen.
Rasoel is een persoon die wordt verkozen door God om aan mensen Goddelijke wetten te openbaren.[qtip:(1) | Ibn-i Sa'd, Tabaqat, v. 1, blz 82-83]
Samengevat, komt het er op neer dat een Rasoel een boek en een sharia gekregen heeft. Een Nabi daarentegen heeft de opdracht gekregen om het geloof van een profeet voor hem weer te zuiveren en te spreiden. Elke Rasoel is dus een Nabi, echter is niet elke Nabi een Rasoel.
Nadat dit begrepen is, zal het nuttig zijn om te kijken naar de wijze waarop de eerste openbaringen tot onze profeet kwamen.
Eerst kreeg de profeet openbaringen middels accurate dromen die exact uitkwamen. Vervolgens werd eenzaamheid geliefd door de profeet. Hij zonderde zich af van de mensen en bezocht de grot Hira regelmatig om te bidden volgens het geloof van Ibrahim. Eéns tijdens het bezoeken van de grot, verscheen de engel Djibriel in opdracht van ALLAH en beval de ongeletterde profeet:
“Lees! In de naam van jouw Heer Die schiep.
Hij schiep de mens van een klonter bloed.
Lees! En jouw Heer is Vrijgevig.
Hij Die onderwees met de pen.
Hij onderrichtte de mens hetgeen hij niet wist.[qtip:(2) | Koran: 96:1-5]
De profeet werd overweldigd door deze gebeurtenis en haastte zich gespannen naar huis. Zodra hij thuis was, zei hij tegen zijn vrouw Khadiedje “bedek mij, bedek mij”. Ze bedekte hem en hij bleef gewikkeld onder zijn lakens, totdat hij bedaard was.[qtip:(3) | Moeslim, iman; 73]
Zo ontving de profeet zijn eerste openbaring. Hij was veertig jaar. Na de eerste openbaring kwam er een korte onderbreking. Hoelang deze onderbreking heeft geduurd, is niet volkomen duidelijk. Informatie vanuit overleveringen rondom dit onderwerp varieert tussen minimaal 15 dagen tot maximaal 3 jaar.[qtip:(4) | Tecrid Tercemesi, 2:13]
Betreft het wederom ontvangen van openbaringen, zegt de profeet het volgende:
“Toen ik op een dag liep, vernam ik een stem uit de hemelen. Toen ik omhoog keek, zag ik de engel die ook tot mij kwam in de grot van Hira. Hij bevond zich op een troon die zich uitstrekte vanuit de aarde tot aan de hemelen. Angst kwam tot mij. Ik haastte mij naar huis en zei: “bedek mij, bedek mij! Hierop openbaarde ALLAH de volgende verzen: O bedekte! Verrijs en attendeer. En verkondig de glorie van jouw Heer. En reinig jouw kledij. En vermijd afgoderij. Hierna kwamen openbaringen zonder onderbrekingen.[qtip:(5)| Moeslim, imam; 73]
De eerste openbaring in de grot Hira maakte dus de profeet Mohammed een Nabi. Echter was hij nog geen Rasoel, want hij had nog niet de taak gekregen om het geloof en de sharia-wetten te openbaren. Na de tussenpoos, met het ontvangen van de tweede openbaringen, werd hij Rasoel.[qtip:(6) | Hak Dini Kuran dili, 8:5944]
Onze profeet (v.z.m.h.) werd dus eerst Nabi en daarna Rasoel. De tijdsduur tussen het worden van een Nabi en een Rasoel is niet exact bekend. Op dit gebied zijn er verschillende overleveringen beschikbaar.[qtip:(7) | ZekaiKonrapa, Peygamberimiz, blz. 72]
[1] Hüseyin Cisrî. Risâle-i Hamidiyye, blz 524-531
[2] Koran: 96:1-5
[3] Moeslim, iman; 73
[4] Tecrid Tercemesi, 2:13
[5] Moeslim, imam; 73
[6] Hak Dini Kuran dili, 8:5944
[7] ZekaiKonrapa, Peygamberimiz, blz. 72
Soennah betekent als woord, ‘’manier, verloop, aard, beginsel, wet’’. Als religieuze term heeft het de volgende betekenissen: De woorden, daden en de ‘’takrir’s’’ van de profeet (vzmh). Takriri Soennah houdt in: Datgene wat de Profeet (v.z.m.h.) heeft gezien, maar deze heeft toegestaan door er geen reactie op te geven. De Hadiths zijn de verklaringen van de verzen. Deze verhelderen de verzen, die in het kort, de Goddelijke doeleinden verklaren. Een oordeel over een bepaald onderwerp dat niet is terug te vinden in de Koran, zal vanuit de Hadiths duidelijk gemaakt worden.
Het gebod “verricht de salaat” is de kern; de details zijn overgelaten aan de Hadiths. Het aantal rakaat en de gebedsvormen zijn niet in een gedetailleerde wijze aangegeven in de Koran. Als we de Soennah niet zouden hebben, hoe zou dan het gebod ‘’verricht de salaat’’ uitgevoerd moeten worden? De details van de Hadith “Verricht het gebed zoals ik (vzmh) dat doe’’ en van het gebod ‘’geeft de zakaat’’ zijn precies op dezelfde manier overgelaten aan de Hadiths.
De auteur van de Risale-i Nur Said Nursi verklaart dat de Hadiths de eerste tafsir (exegese) op de Koran zijn. De tafsir die de Boodschapper van Allah (v.z.m.h.) heeft gedaan, zijn de primaire tafsir; zo ook zijn de eerste antwoorden van de Profeet (v.z.m.h.) op vragen die betrekking hebben op de Islamitische wetgeving, de eerste uitgesproken Fatwa’s (Islamitische rechtspraak). De oordelen van de Profeet (v.z.m.h.) zijn de eerste oordelen. Net zo als de Profeet (v.z.m.h.) op dit punt de leiderschap heeft, zo ook is Hij (v.z.m.h.) de leider van zijn gemeenschap op alle fronten.
‘’En wanneer zij met een zaak van veiligheid of vrees tot hen komen, dan verspreiden zij het. En indien zij het aan de boodschapper voorgelegd hadden, en aan degenen van hen die met gezag bekleed zijn, dan zouden degenen onder hen die onderzoeksbekwaam zijn er kennis van kunnen nemen.’’
Elk doel wordt bewandeld via diverse wegen. De weg om rijk te worden is anders dan de weg om een geleerde te worden. Om rijk te worden zal men de regels binnen de economie tot op de puntjes moeten hanteren en men moet de mensen, die op dit gebied succesvol zijn geworden, volgen. Om een geleerde te worden, zal men eerst een leerling moeten zijn van personen die het gezag hebben in dit kennisgebied. De Goddelijke waarheden bereiken is alleen mogelijk door de personen te volgen die het gezag en de bevoegdheid in dit kennisgebied hebben.
Rechtvaardigheid en waarheid, zit impliciet in het profeetschap en worden ten volle gehanteerd door de Profeet (v.z.m.h.). Ketterij, kwaad en dwaling komt van zijn vijand.
Een vers in de Koran verklaart dat het onderwerpen aan de Soennah een eis is om het welbehagen van Allah te krijgen. “Zeg (O Mohammed): Als jullie van Allah houden, volg mij dan: Allah zal van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is vergevensgezind, meest barmhartig.”
De Profeet (v.z.m.h.) is een voorbeeldig persoon die de liefde en tevredenheid van onze Heer heeft. De liefde voor Allah van iemand die de Soennah van de Profeet (v.z.m.h.) niet naleeft, bestaat enkel uit woorden. Afstand nemen van de Soennah en alleen maar Koran verzen als leidraad gebruiken, houdt in dat men het lijken op die Persoon (v.z.m.h.) die Allah liefheeft, verlaat.
Iemand die de heilige Koran zelfstandig probeert te interpreteren, zonder de Hadith hierbij mee te nemen, zal in plaats van de weg van de Profeet (v.z.m.h.) zijn eigen weg volgen. De weg waartoe deze leidt, is onbekend. Het doel van het begrijpen van de Koran is het naleven en na laten leven van de Koran. De Profeet (v.z.m.h.) is de grootste ‘’gids’’ van Allah. Laten we deze waarheid vanuit de Koran bekijken.
“En wat de Boodschapper jullie geeft, neemt dat; maar wat Hij jullie verbiedt, onthoudt jullie daarvan. En vreest Allah: voorwaar, Allah is hard in de bestraffing.”
“En Hij spreekt niet uit begeerte. Het is niets anders dan een Openbaring die aan hem geopenbaard is.”
“Wie de Boodschapper gehoorzaamt, hij gehoorzaamt waarlijk Allah.”
Onder ‘’ittiba As Soennah’’ verstaan we: De weg van de Profeet (v.z.m.h.) van Allah volgen en zodoende altijd op het juiste pad blijven.
Laten we nu een vraag stellen aan ons ego. Wat zou een Moe’min (gelovige) doen die in de tijd van de Profeet (v.z.m.h.) kon leven? Uiteraard zou hij de Profeet (v.z.m.h.) in alle opzichten volgen. Toch?
Dus, vandaag de dag, Zijn (.v.z.m.h.) Soennah naleven, heeft dezelfde betekenis.
Risale-i Nur verdeelt de Soennah in drie kerngroepen: “De waardevolle Soennah van de Profeet (v.z.m.h.) heeft drie bronnen: Woorden, daden en houdingen.”
Dus de heilige Soennah van ons Profeet (v.z.m.h.) bestaan uit Zijn woorden, welke uit Zijn heilig tong vloeit, Zijn verrichte daden en Zijn houdingen waarmee Hij een voorbeeld is voor de gehele mensheid.
Een moslim zal, om de Profeet der Profeten (v.z.m.h.) na te doen, als eerste beginnen met de Fard (geboden). De geboden van Allah zijn Fard, maar ook zijn ze Soennah, uiteraard omdat de Profeet (v.z.m.h.) deze heeft uitgevoerd. Een moslim die aan de geboden van Allah precies voldoet en met gevoeligheid het verbodene verlaat, voert de Fard gedeelte van de Soennah uit. Een moslim die de Fard uitvoert, zal zijn geestelijke vooruitgang voort kunnen zetten met de extra niet verplichte gebeden (nawafil). De nawafil zijn de gebeden welke buiten de Fard vallen.
De Soennah gedeelte van de salaat vallen onder nawafil. Salat al-duha, tahiyatul masjid en tahajjud.
Adat-i hasene (mooie gewoontes) zijn de menselijke handelingen van de Profeet (v.z.m.h.) zoals eten, drinken, zitten enz. In elk van deze gewoontes zijn mooie voorbeelden voor de mens in verborgen. Een Moe’min die deze gewoontes elke dag pleegt, precies doet op de manier die de Profeet (v.z.m.h.) deed, zal een ander soort bron hebben gevonden en zal hiermee in zijn wereldlijke zaken meer vreugde en vrede ondervinden.
Onderwerpen aan de heilige Soennah verandert je gewone handeling in een aanbidding. Hiermee zal elke daad in jouw leven veranderen in een vruchtenwerpend en beloninggevend leven.
Liefde en vrees in je hart voor Allah zijn Soennah die onder de groep “houdingen” vallen.
“Onder jullie heb ik Allah het meeste lief. En ook ik vrees het meeste van Allah.” (Hadith)
Een voorstelling
Stel je een land voor waar chaos heerst. Een land waarin hulpkreten van onderdrukten niet worden gehoord, wandaden van woestelingen niet worden gehinderd, en barbaarse normen en waarden gemeenschappelijk zijn aanvaard. Wanneer je de aanzienlijkste stad van dat land bezoekt, merk je op dat slaven, armen en vrouwen onmenselijk worden behandeld. Er wordt alleen acht geslagen op de belangen van machthebbers. Dochters zijn zodanig ongewild, dat je af en toe een man uit zijn huis ziet sluipen om stiekem ergens een pasgeboren meisje levend te begraven alsof ze iets schandelijks aan het wegwerken zijn. De meisjes die niet worden begraven, worden in hun latere jaren vaak gedwongen tot prostitutie. Overal waar je kijkt bemerk je aanmoedigingen van overspel, alcoholverbruik, gokgelegenheden, moordaanslagen, bedriegerijen en dergelijke zonden meer.
Terwijl je onder deze onbeschaafde omstandigheden bij jezelf nagaat of er überhaupt iets beschaafds te vinden is in deze stad, valt het je opeens op dat het primitieve volk poëzie enorm waardeert. Als een welbespraakte poëet een gedicht voordraagt, zie je de mensen zich om hem heen verzamelen om aandachtig naar hem te luisteren. Ze waarderen een getalenteerde poëet zelfs meer dan een oorlogsheld. Tevens is het verbazingwekkend dat de poëten in een dergelijk woest land uitermate getalenteerd zijn. Welbespraaktheid en poëzie lijken hun piek te hebben bereikt in die stad. Desondanks kan één positief aspect een land dat zodanig is verslechterd niet meer redden.
Zoals iedereen zou ook jij verwachten dat een dergelijk land gedoemd zou zijn tot verdoemenis. Terwijl we met deze verwachting afwachten op de ondergang van dat land, zien we tussen deze wreedaardige mensen plotseling een man verschijnen die met zowel zijn uiterlijke als innerlijke schoonheden opvalt. Ondanks dat bedrog een algemeen gebruik is, bedriegt hij nooit. Vanwege zijn rechtschapen aard staat hij in de stad bekend als “de waarheidsgetrouwe”. Zijn zachtaardige karakter maakt hem bij iedereen geliefd. Het oprechte medeleven dat hij voor zijn medemens koestert, bezorgt hem in die bedroevende omgeving enorme hartenleed. Desalniettemin zien we de oogverblindende glimlach op zijn stralende gezicht voortglimmen om de pijn van verwonde zielen te verzachten.
In een ongeëvenaarde taal begint hij met wonderschone woorden iedereen aan te trekken. Hoewel hij ongeletterd is, draagt hij verzen voor die de mooiste gedichten in de schaduw stellen. Deze verzen zijn niet alleen diepzinnig, maar veranderen op een miraculeuze wijze de wreedaardige eigenschappen van dat woeste volk. Op een duidelijke en ongehoorde wijze beschrijft hij hun bestaansreden. Zijn beschrijving tovert dat hopeloze land van de primitiefste mensen om tot een land dat wordt bewoond door mensen die als universele voorbeelden voor de mensheid zullen dienen.
Deze waarheidsgetrouwe man die het levensmysterie heeft ontrafeld, bezit immers een boodschap die niet slechts het desbetreffende volk, maar volkeren van aankomende generaties evenzeer kan bevrijden van eeuwige verdoemenis.
Indien jij je nu afvraagt of een dergelijke man ooit zou kunnen bestaan, stel ik mij voor hoe je zou reageren als ik je vertel dat dit slechts een uiterst beknopte samenvatting is van de prestaties die geleverd zijn door de waarheidsgetrouwe man genaamd Mohammed.
Mohammed (vzmh) was 35 jaar geworden. Na een tienjarig gelukkig gezinsleven, ontstonden er problemen in Mekka. Het belangrijkste gebouw van Mekka, stond op instorten. De Kaba was al jaren niet gerenoveerd. Ze had door de jaren heen veel schade opgelopen en omdat zij geen plafond had, liep ze optimale schade op gedurende hevige regenstormen. Vooral de laatste storm had de Kaba enorm geschaad. Ook was haar doek totaal afgebrand door de vonken van een vuur dat werd aangestoken door een vrouw in de buurt van de Kaba. De barsten van haar muren waren dusdanig geworden, een persoon kon er gewoon doorheen kruipen. Toen een dief hier gebruik van maakte en er waardevolle spullen uit stal, besloten de Mekkanen uiteindelijk om de Kaba te renoveren.[qtip:1| Sîre, 1/205; Tabakât, 1/145; Taberî, 2/198]
Terwijl de Quraishieten bijeenkomsten hielden om te bepalen hoe de renovatie van start moest gaan, strandde er een Romeins schip aan in Djiddeh. Het schip was volgeladen met ijzer, hout, pilaren en allerlei soorten bouwmaterialen. Dit was precies wat de Mekkanen nodig hadden, dus kochten ze meteen alle benodigdheden van hen over.
Eén van de passagiers van dat schip bleek een Romeinse metselaar te zijn. De Quraishieten maakten ook meteen een afspraak met de metselaar voor de bouw van de Kaba.
De renovatie van de Kaba was een heilige taak en uiteraard wilde elke stam van de Quraish geëerd worden met het deel uit maken van haar vernieuwing. De bouwtaken werden onderling verdeeld en elke stam kreeg een gedeelte aangewezen waar die verantwoordelijk voor was.
Voordat men kon beginnen met bouwen, moest er echter eerst gesloopt worden en niemand had het lef om het heilige huis te vernielen, al was het voor renovatie. Ze waren bang dat een ramp hen zou treffen als ze de Kaba zouden verwoesten.
Welied bin Moegire sprong opeens naar voren en maakte duidelijk dat het heilige huis toch gesloopt moest worden voordat ze haar konden renoveren. Iemand moest de eerste stap zetten, dus besloot hij om diegene te zijn. Voordat hij de eerste slag leverde, zei de dappere man:
“O ALLAH, wij hebben niets voor behalve goeds met onze handeling.”
Met zijn hamer in zijn hand hief hij zijn arm met respect en gaf de eerste slag. Die dag durfde niemand zich te mengen met de sloop, dus was hij de enige die eraan begon. De rest zou een dag afwachten of er een ramp hen zou treffen. Als dit niet het geval zou zijn, zouden zij ook beginnen met de sloop, in de hoop dat ALLAH er tevreden over is. Als er alsnog iets zou gebeuren, zouden zij er onmiddellijk mee stoppen en nooit meer een renovatie in hun hoofd halen.
Een dag was verstreken en er was hen niets overkomen. ALLAH was dus tevreden met hun doel; alle stammen begonnen te helpen met de sloop voor de renovatie. Na een gedurende tijd, kwamen ze aan bij de grondslag van het gebouw die door de profeet Ibrahim gebouwd was. Toen één onder hen ook die probeerde te slopen en er een slag op gaf, getuigde iedereen van een heftige beving in Mekka. De Mekkanen begrepen dat ALLAH verdere sloop niet toe stond, want de Kaba hoorde op de fundamenten van Ibrahim gebouwd te worden.[qtip:2| Sîre, 1/207-208; Tabakât, 1/146]
De stammen begonnen met de bouw en al snel was het tijd om “Hadjeroe’l Eswed” ofwel “de Zwarte Steen” op zijn plaats te zetten om vervolgens verder te bouwen. De Zwarte Steen was een hemelse steen die door de engel Djibriel was neer gezonden naar Ibrahim. Ibrahim plaatste die steen op een bepaalde plek toen hij met zijn zoon het heilige huis bouwde en sindsdien maakte die deel uit van de Kaba. Elke stam achtte slechts zichzelf waardig genoeg om die steen op zijn plek te plaatsen.
Hierdoor ontstond er een ernstige onenigheid. Deze onenigheid escaleerde zich, zelfs zo erg dat op een bepaald moment de stammen naar hun zwaarden grepen omdat ze gereed waren om bloed te vergieten voor deze verheven taak.[qtip:3| Sîre, 1/209; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201] Geen stam wilde deze eer afstaan aan een andere. De steen hadden ze op het Eboe Koebeys gebergte geplaatst om deze na de onenigheid op zijn plek te zetten.
Dagen verstreken vanwege deze onenigheid. De bouw was stopgezet. Er moest snel een uitweg worden gevonden, want strijd kon elk moment uitbarsten. De stammen verzamelden zich bij de Kaba voor een definitieve oplossing. Op een meest geladen moment, stond Hoezeyfe bin Moegire, bekend als Eboe Oemeyye, op en stelde het volgende voor:
“O Quraishieten! Laat degene die verschijnt vanuit de Sheybe poort tegenover ons jullie rechter zijn, opdat hij deze kwestie oplost.”[qtip:4| Sîre, 1/209; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201]
Het onverwachte voorstel van Eboe Oemeyye werd zonder tegenspraak door iedereen aanvaard. Degene die vanuit de Benî Sheybe poort zou verschijnen, zou het lot van de Zwarte Steen bepalen. Alle blikken waren naar de poort gericht. Vol spanning wachtte het volk op degene die hen zou verlossen van het grote conflict waarin ze zich verkeerden. Het viel doodstil toen vernomen werd dat er iemand aan kwam lopen. Iedereen hield zijn adem in en wachtte met open ogen op degene die verschijnen zou. De verschijning van degene die langzaamaan verscheen, werd meteen door iedereen herkend. Er was er maar één wiens uitstraling zo uitblonk, dat hij vanuit de verste verte met gemak te herkennen was. Het enige wat van het volk vernomen kon worden, was:
“Het is de vertrouwde! De waarheidsgetrouwe! Het is Mohammed!”[qtip:5| Sîre, 1/209; Tabakât, 1/201]
Er bevond zich geen onder hen die niet blij was met zijn verschijning, want iedereen wist dat hij nooit met een oordeel zou komen waar iemand ontevreden over zou zijn. De Quraishieten waren verzekerd met een rechtvaardige beslissing, immers was die afkomstig van Mohammed.
Ze vertelden de Trooster wat voorafgegaan was en nadat ze werden uitgehoord, zei de Rechtvaardigste der rechters:
“Breng mij een kleed.”
Mohammed spreidde het kleed dat hem gebracht werd uit over de grond. Men wachtte gespannen af naar wat hij zou doen. Hij pakte de Zwarte Steen en plaatste die in het midden van het kleed. [qtip:6| Sîre, 1/209-210; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201] Vervolgens beval hij:
“Laat een elk van iedere stam een uiteinde van dit kleed vastpakken.”
Een aangewezen persoon van elke stam pakte een uiteinde van het kleed vast. Allen konden nu de heilige steen optillen en dragen naar de plek waar die hoorde. Eenmaal aangekomen bij die plek, gingen de gezegende handen van Mohammed naar die steen om die op zijn positie te plaatsen. Door dit oordeel werd iedere stam geëerd met het plaatsen van de Zwarte Steen en werd er een bloedige confrontatie vermeden. Hier werd wederom duidelijk dat het inzichtvermogen en gave voor het oplossen van problemen van Mohammed, met geen te vergelijken was; ongeacht zijn leeftijd en levenservaring, was er geen oudere of wijzere man aanwezig die een dergelijke oplossing kon bedenken.
[1] Sîre, 1/205; Tabakât, 1/145; Taberî, 2/198
[2] Sîre, 1/207-208; Tabakât, 1/146
[3] Sîre, 1/209; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201
[4] Sîre, 1/209; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201
[5] Sîre, 1/209; Tabakât, 1/201
[6] Sîre, 1/209-210; Tabakât, 1/146; Taberî, 2/201
NOOT: Antwoorden uit deze artikel komen grotendeels uit de reeks van Risale-i Nur, negentiende brief ''De mirakel van Ahmed(VZMH)'', Auteur Bediuzzaman Said Nursi. De antwoorden zijn gedeeltelijk uit de context gehaald daarom kunnen sommige zaken onduidelijk zijn, zoals verwijzingen zonder verdere uitleg en informatie. Niettemin voldoen de antwoorden aan de vragen. En ALLAH weet het best. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de reeks van Risale-i Nur.
VRAGEN:
Is het toegestaan om de inhoud van een Hadith in andere woorden te formuleren?
Herinnering: in dit Traktaat heb ik menig verheven Hadith overgeleverd. Ik heb geen Hadithboeken ter beschikking. Mocht er een fout getroffen worden in mijn formulering van een Hadith, dan dient die ofwel gecorrigeerd, ofwel “een impliciete Hadith” genoemd te worden. Want het oordeel van de meerderheid luidt: “De inhoud van een Hadith overleveren is toegestaan.” In andere woorden, wanneer de inhoud van een Hadith als basis wordt genomen, kan die in eigen woorden worden geformuleerd. Mochten er dus fouten voorkomen in mijn formulering, dan dienen ze beschouwd te worden als een impliciete Hadith.
Er zijn twee vormen van openbaringen: expliciete openbaringen(Vahy-i sarihî) en impliciete openbaringen(Vahy-i zımnî)
De ene vorm bestaat uit expliciete openbaringen waarbij de Nobelste Godsgezant (VZMH) zonder eigen inbreng slechts als vertolker en overdrager fungeert; denk hierbij aan de Qur’an en aan enkele Heilige Hadith(Hadith al-Qudsie).
De tweede vorm bestaat uit impliciete openbaringen waarbij de essentie en kern zich berusten op openbaringen en ingevingen, maar de toelichting en beschrijving ervan worden overgelaten aan de Nobelste Godsgezant (VZMH). Om een bondige samenvatting van een gebeurtenis, die hem via openbaring is bekendgemaakt, te beschrijven en toe te lichten, berust Ahmed (VZMH) zich op ofwel weer een openbaring of ingeving, ofwel zijn eigen inzicht. Het toelichten en beschrijven middels zijn eigen inzicht doet hij ofwel via een heilige kracht op basis van zijn profeetschap, ofwel volgens de standaarden van menselijke normen, waarden en gedachten op basis van zijn mens-zijn. Aldus behoort niet elke toelichting in een Hadith beschouwd te worden als een rechtstreekse openbaring van ALLAH. Achter zijn gedachten en handelingen die zijn mens-zijn van hem vergen, dienen de verheven tekenen van profeetschap niet gezocht te worden. Omdat bepaalde zaken aan hem op een definitieve wijze bondig werden geopenbaard, lichtte hij ze via zijn eigen inzicht toe volgens het gemeenschappelijke bevattingsvermogen. Beeldspraak en zinspeling die hij soms bij dergelijke toelichtingen toepast, vergen in sommige gevallen ook weer een uitleg, of zelfs een interpretatie. Immers, sommige waarheden kunnen slechts met een voorbeeld worden doorgrond.
Bijvoorbeeld, eens werd er in het bijzijn van de profeet (VZMH) een denderend kabaal vernomen. Daarop verkondigde hij:
“Het gedreun van zojuist werd veroorzaakt door een steen in de hel die na zeventig jaar rollen eindelijk de bodem heeft bereikt.”
Even later werd aangekondigd dat een beroemde, zeventig jarige hypocriet was gestorven en in de hel was beland. Zodoende werd hetgeen Ahmed (VZMH) eloquent verwoordde verklaard.
Een consensus(moetawaatir) bestaat uit twee vormen, namelijk: een expliciete(al-lafzie) consensus en een impliciete(al-ma'nawie) consensus
Indien tijdingen op basis van een consensus zijn overgeleverd, dan zijn ze authentiek. Een consensus bestaat uit twee vormen, namelijk: een expliciete consensus en een impliciete consensus.
Een impliciete consensus kent ook weer twee vormen. De ene bestaat uit een zwijgende vorm. Oftewel, doordat er wordt gezwegen, wordt een mededeling aanvaard. Bijvoorbeeld, wanneer iemand in het bijzijn en onder toezicht van een menigte een gebeurtenis meedeelt, en als de menigte daarop zonder hem te verloochenen zwijgend reageert, dan komt het erop neer dat zijn mededeling door die menigte is aanvaard. Met name wanneer de menigte betrokken is bij de meegedeelde gebeurtenis, en die menigte daarenboven gereed is om kritiek te leveren, fouten niet tolereert en leugens verafschuwt, dan zal het zwijgen van die menigte uiteraard een zeer sterk bewijs zijn voor de authenticiteit van die gebeurtenis.
De tweede vorm van een impliciete consensus beschrijven we aan de hand van een voorbeeld. Stel dat er een mededeling wordt gedaan over een gebeurtenis waarbij één okka[qtip:(1)|Noot van de vertalers: een gewichtseenheid van ongeveer 1283 gram.] voedsel de magen van tweehonderd mensen heeft gevuld. Echter, degenen die deze gebeurtenis meedelen, verschillen in hun verwoording; een ieder formuleert op zijn eigen manier. Desondanks zijn ze allemaal gelijkgestemd wat betreft het geschieden van die gebeurtenis. Voorwaar, het hoofdpunt van die voorgedane gebeurtenis herbergt een impliciete consensus en staat vast. De variëteit in de verwoording deert niet. Bovendien kan in sommige gevallen één enkele mededeling de authenticiteit van een consensus bevatten. Tevens kan de authenticiteit van één mededeling in sommige gevallen via externe tekenen worden aangetoond.
De deskundigheid van grote waarheidsgetrouwe Hadithgeleerden in de Hadithwetenschap.
Waarlijk, waarheidsgetrouwe Hadithgeleerden en kritische analisten raakten uitzonderlijk bekend met de Hadith. Ze waren zo deskundig geworden en raakten zo gewend aan de formulering, verheven verwoording en beschrijvingskunst van de Nobelste Godsgezant (VZMH), dat ze één verzonnen Hadith uit de honderd onmiddellijk zouden signaleren en verwerpen door te melden: “Deze overlevering is verzonnen. Ze kan noch een Hadith zijn, noch een uitspraak van de profeet (VZMH).” Zoals een juwelenkenner maakten zij onderscheid tussen de juwelen onder de Hadith en de namaak.
Alleen enkele Hadithgeleerden zoals Ibni Djewzî overdreven in hun kritiek, waardoor ze sommige authentieke overleveringen als verzonnen bestempelden.
Wat betekent het als een hadith verzonnen(Mawdoe’) is?
Immers, als iets verzonnen is, wil het nog niet zeggen dat de inhoud niet klopt; het wil slechts zeggen dat het geen Hadith is.
Uitleg van dit onderwerp in ''de lichtstralen'' is als volgt:
Tweede variabel: Dit is mawdoe, betekent; Deze overlevering is geen hadith met een reeks overdragers en keten. Het is niet zo dat de inhoud ervan onjuist is. Aangezien de oemmah en in het specifiek de waarheidsgetrouwe en Godgewijze paragnosten en een groep Hadithwetenschappers en specialisten van jurisprudentie deze hebben geaccepteerd en de vervulling van zijn betekenissen hebben afgewacht. Uiteraard bevatten deze overleveringen net zoals gezegdes waarheden die de samenleving aangaan en aanspreken.
Een ander uitleg van hetzelfde onderwerp;
Dit is mawdoe, betekent; Deze overlevering is geen hadith met een reeks overdragers en keten. Het is niet zo dat de inhoud ervan onjuist is, daarbij heeft de oemmah, deze overlevering als een soort van gezegde geaccepteerd…
Zoals duidelijk zichtbaar is er dus geen overlevering in de vele Hadithboeken dat echt als mawdoe bestempelt kan worden. Het is op z’n minst ware en correcte gezegdes van sommige grote individuen van de metgezellen en tabi'ien, waarvan Bediuzzaman aangeeft dat het kan dat deze niet in de vorm van een hadith overgeleverd zijn met een reeks overdragers en keten tot en met de Profeet. Aldus laat onze onderzoek in de hadithwetenschap dit ook duidelijk zien.
Vraag: wat voor nut heeft het om ieder individu van een hele reeks overdragers te vermelden? Op een ongepaste wijze worden bij bekende voorvallen vaak alle overdragers vermeld.
Het antwoord: het heeft veel nut. Één ervan is het volgende: via een reeks overdragers wordt de unanimiteit van oprechte Hadithwetenschappers met documentaire bewijzen aangegeven. Tevens toont het enigszins de overeenstemming aan van alle waarheidsgetrouwe analisten die deel uitmaken van die reeks. Elke imam en elke geleerde die tot die reeks behoort, zet als het ware zijn handtekening onder het oordeel van die Hadith en plaatst er zijn goedkeuringsstempel.
Vraag: waarom zijn miraculeuze gebeurtenissen niet zoals de fundamentele verordeningen van de Sharia, via vele wegen, stellig en op basis van een consensus overgeleverd?
Het antwoord: want onder de meeste omstandigheden hebben de meeste mensen behoefte aan de meeste verordeningen van de Sharia. Zoals een individueel gebod hebben dergelijke verordeningen betrekking op ieder individu. Daarentegen heeft niet iedereen behoefte aan elk mirakel. Mocht er alsnog een dergelijke behoefte zijn, dan is het voldoende om het eenmalig te vernemen. Zoals een gemeenschappelijk gebod is het voldoende wanneer enkele mensen op de hoogte zijn van de mirakelen.
Voorwaar, hierdoor komt het soms voor dat een mirakel door één of twee overdragers wordt overgeleverd, terwijl een verordening van de Sharia door tien of twintig overdragers wordt overgeleverd, ondanks het feit dat het plaatsvinden en de manifestatie van het mirakel tienmaal zo evident kan zijn als die verordening.
Sommige toekomstige gebeurtenissen waarover de Nobelste Godsgezant (VZMH) profeteerde, waren niet kleinschalig.
Sommige toekomstige gebeurtenissen waarover de Nobelste Godsgezant (VZMH) profeteerde, waren niet kleinschalig. Hij profeteerde slechts bescheiden over grootschalige gebeurtenissen waarvan een elk zich herhaaldelijk zou voordoen. Hoewel dergelijke gebeurtenissen multivariabel zijn, zette hij telkens één variant ervan uit. Vervolgens verenigden Hadithoverdragers die varianten, waardoor ze niet met de werkelijkheid lijken te stroken.
Bijvoorbeeld, er zijn verschillende overleveringen over de Mahdi. Details en beschrijvingen over hem lopen uiteen. Echter, zoals is aangetoond in het vierde onderdeel van Het Vierentwintigste Woord, gaf de Nobelste Godsgezant (VZMH) op basis van openbaringen tijding over de Mahdi om de morele kracht van gelovigen in elke eeuw stand te houden, om hen te hoeden tegen wanhoop onder ellendige omstandigheden en om gelovigen spiritueel te binden met een verlichte generatie van de Islamitische wereld, bestaande uit het huisvolk van de profeet (VZMH). Zoals de Mahdi van het einde der tijden verscheen er in elke eeuw een Mahdi, of zelfs meerdere Mahdi’s. Onder de kaliefen van de Abbasiden, die tot het huisvolk van de profeet (VZMH) behoorden, verscheen er bovendien een Mahdi die over vele eigenschappen van de Grote Mahdi beschikte. Voorwaar, de kaliefen van de Mahdi en zijn gezegende voorgangers dienden als voorbeelden van de Grote Mahdi die voor zijn komst verschenen. Echter, omdat hun eigenschappen dooreengemengd werden met de eigenschappen van de ware Mahdi, ontstonden overleveringen die met elkaar botsten.
Biografieën en geschiedenisboeken schieten tekort bij het omschrijven Zijn(VZMH) ware aard en volmaaktheid.
De meeste hoedanigheden en eigenschappen van de Nobelste Godsgezant (VZMH) die omschreven staan in zijn biografie en in geschiedenisboeken, hebben betrekking op zijn menselijkheid. Echter, de geestelijke persoonlijkheid en gezegende aard van dat heilige individu is zo verheven en lumineus, dat de eigenschappen die in zijn biografie en geschiedenisboeken staan omschreven, tekortdoen aan die eminentie en niet overeenkomen met zijn verheven waarde. Want volgens het geheim achter
[qtip:(2)|De grondlegger staat gelijk aan de uitvoerder] لَعاَفْلَا كُبَبَّسلَا worden dagelijks – en zelfs momenteel – de uitgevoerde godsdienstoefeningen van al zijn volgelingen in de vorm van een grandioze godsdienstoefening opgeslagen in zijn schrift van volmaaktheid.
Zoals hij op eindeloze manieren, met eindeloze capaciteiten, de Eindeloze Genade van ALLAH aantrekt, ontvangt hij dagelijks evenzeer talloze gebeden van talloze volgelingen.
De volledige aard en ware volmaaktheid van dat heilige individu, dat het rendement en de volmaaktste vrucht is van deze kosmos, evenals de tolk en de lieveling van de Schepper der kosmos, kan uiteraard nimmer omvat worden door de menselijke hoedanigheden en houdingen die omschreven staan in zijn biografie en in geschiedenisboeken.
Een gebeurtenis, oftewel een wonder dat plaatsvond bij aanwezigheid van een grote groep van metgezellen, dat overgeleverd wordt namens de gehele groep door een of twee metgezellen is, zoals sommigen veronderstellen geen reden van zwakte voor de Hadith. Zo een uitspraak en voorstelling zou fout zijn. Ustad Bediuzzaman legt dit als volgt uit:
Alle aankomende voorbeelden van zegenrijke mirakelen zijn via verscheidene wegen, waarvan enkele zelfs via zestien wegen, op een authentieke wijze overgeleverd. De meeste mirakelen zijn in een drukke menigte tot stand gekomen. Integere en oprechte mensen van die menigte leverden ze vervolgens over. Bijvoorbeeld, iemand levert het volgende over: “Zeventig man at van ongeveer viermaal een handvol voedsel en raakte vol.” Die zeventig mensen vernemen die uitspraak, maar verloochenen die niet. Aldus bevestigen ze die uitspraak door te zwijgen. Echter, gedurende dat oprechte en waarachtige tijdperk zouden de metgezellen van de profeet (VZMH), die waarheidsgetrouw, oprecht en rechtschapen waren, een bericht onmiddellijk afkeuren en verloochenen wanneer ze er de geringste leugen in zouden detecteren. Desalniettemin zijn de evenementen die we zullen behandelen door velen overgeleverd, terwijl de rest ze middels zwijgen heeft bevestigd. Aldus is ieder evenement zo doorslaggevend als een impliciete consensus.
Een ander uitleg van hetzelfde onderwerp;
In authentieke Hadithboeken is het volgende evenement op een uitdrukkelijke wijze vastgelegd: Djabir el-Ansarî leverde zwerend over dat tijdens de grote en bekende slag van Handak duizend man had gegeten van viermaal een handvol gerstebrood en een geitenlam van een jaar oud. Nadat iedereen gegeten had, bleek dat het eten qua inhoud onveranderd was gebleven. Djabir zei: “Op die dag werd het eten in mijn huis bereid. Al die duizend man kwam van dat brood en die lam eten en vertrok. Ondertussen was onze pan nog vol aan het koken, terwijl er van het meel nog steeds brood werd bereid. De profeet (VZMH) had in dat meel en in die pan zijn heilige speeksel geplaatst en een zegenbede verricht.”
Voorwaar, zwerend verkondigde Djabir dit zegenrijke mirakel in het bijzijn van duizend individuen die erbij betrokken waren. Aldus kan geconcludeerd worden dat dit evenement zo zeker is als een gebeurtenis die door duizend man is overgeleverd.
Sommigen onder de metgezellen hebben de Hadiths vastgelegd in geschriften.
Ook in de gelukzalige tijd van profeetschap hebben velen profetische mirakelen en Hadith aangaande verordeningen vastgelegd in geschriften. Vooral de zeven metgezellen die de naam “Abdullah” deelden, waaronder vooral Abdullah ibn Abbâs, alias “de vertolker van de Qur’an”, en Abdullah ibn Amr ibn El-Âs, en daarnaast vooral de duizenden waarheidsgetrouwe onderzoekers onder de eerstvolgende generatie na de metgezellen van de profeet(VZMH), die dertig à veertig jaar later verschenen, legden de Hadith en de mirakelen vast in geschriften. Inclusief de vier grote imams van de vier leerscholen verschenen daarna nog duizenden waarheidsgetrouwe Hadithgeleerden die dergelijke wetenschappen overleverden en registreerden in geschriften. Tweehonderd jaar na de hidjra namen vervolgens de auteurs van de erkende zes Hadithboeken, waaronder Boegharî en Moeslim, die taak op zich.
Mawdoe hadtihs zijn duizend jaar geleden van de sahih onderscheid en verworpen.
Duizenden strenge critici zoals Ibn Djewzî verschenen om de verzonnen Hadith van ongelovige, onachtzame, demente of onwetende individuen aan te tonen en te af te scheiden.
Ook al gaat het om zwakke Hadiths deze ondervinden kracht bij vereniging rond soortgelijke gebeurtenissen.
Een belangrijk punt: Zoals bekend ondervinden zwakke zaken kracht wanneer ze worden verenigd. Als flinterdunne draden om elkaar worden gewikkeld, veranderen ze in een sterk koord. Wanneer sterke koorden om elkaar worden gewikkeld, kan niemand ze meer laten knappen.
Voorwaar, van de vijftien soorten mirakelen hebben we slechts de zegenrijke soort behandeld, waarvan we van de vijftien varianten slechts één variant middels vijftien voorbeelden hebben getoond. Elk voorbeeld op zich was sterk genoeg om het profeet-schap van Ahmed (VZMH) aan te tonen. Al zouden we een deel ervan zwak beschouwen, alsnog kunnen we er geen zwak noemen. Immers, hetgeen zich verenigt met iets machtigs ondervindt kracht. Via een impliciete consensus demonstreert tevens het geheel van de voornoemde vijftien voorbeelden absoluut en onontkoombaar een krachtig en grandioos mirakel. Als nu het geheel van dit grandioos mirakel wordt samengevoegd met de overige onvermelde veertien varianten, ontstaat er, zoals de wikkeling van krachtige koorden, een ultiem mirakel dat alleszins onwrikbaar is.
De naam van onze Profeet (v.z.m.h.), Mohammed en Ahmed, komen vijf keer in de Heilige Koran voor. Vier keer als “Mohammed” en één keer als “Ahmed”.
De naam “Mohammed” komt voor in Soerah Al-Imraan, 144; Al-Ahzaab, 40; Mohammed, 2; Al-Fet’h, 29.
De naam “Ahmed” komt voor in Soerah A-Ssaff, 6.
Naast deze namen heeft onze Profeet ook andere namen. De meeste van deze namen komen ook voor in de Heilige Koran.
De profeet Mohammed (vzmh) was met zijn gedragingen en handelingen een voorbeeld voor zijn echtgenotes. Daarom zou een ‘pater familias’ zich dan ook zo moeten gedragen zoals hij wilt dat zijn echtgenote zich gedraagt.
We zien in de wijze waarop de Profeet met zijn vrouwen omging, dat hij zelfs naar hun kleinste problemen luisterde. Hij behaagde zijn gezinsleden met zijn woorden en gedragingen en uitte daarmee zijn zorg en het belang dat hij in hun stelde. Hij vond het ook belangrijk om hen spiritueel te behagen. Onder zijn vele gedragingen en handelingen waarmee hij zijn vrouwen tevreden stelde, zijn er een aantal die eruit sprongen; Hij wees zijn vrouwen op hun deugden, hij vertelde dat hij van hun hield, hij nam tezamen een bad, liet zijn vrouw toe om op zijn knie te staan bij het beklimmen van het rijdier, ging alleen in op dineruitnodigingen op voorwaarde dat zijn vrouw hem mocht vergezellen en troostte zijn vrouw wanneer deze het nodig had en droogde haar tranen met zijn hand.
Kortom, wanneer iemand de Profeet Mohammed (vzmh) als een voorbeeld hanteert, ook in echtelijke relaties, zal inshaAllah hetzelfde gelukkig vinden.
Allah zegt tenslotte in de Koran;
“ Voor zowaar, jullie hebben in de Boodschapper van Allah een perfect voorbeeld om te volgen, voor diegenen die vooruit kijken naar Allah en naar de Dag des Oordeels, en Allah vaak eren” De Koran, Al-Ahzab, 33:21.
Hieronder volgen er een aantal voorbeelden waaruit de genegenheid van de Profeet blijkt ten opzichte van zijn vrouwen.
Dit was niet de bedoeling
Er was eens sprake van een klein geschil tussen de Profeet en zijn vrouw Aisha (moge Allah tevreden zijn met haar). Nadat ze er samen niet uitkwamen, hebben ze uiteindelijk besloten om het geschil voor te leggen aan een derde. De Profeet Mohammed (vzmh) adviseerde om advies te vragen aan Abu Bakr, die tevens de vader van Aisha was, waarmee ook Aisha instemde.
Eenmaal voor Abu Bakr begon de Profeet de oorzaak van de ruzie uit te leggen. Aisha, die het niet eens was met zijn uitleg, onderbrak de Profeet en waarschuwde hem;
“Wees oprecht in je uitleg”
Abu Bakr vatte dit echter op als een grove manier van respectloos gedrag jegens de Profeet en gaf zijn dochter in een opwelling een klap in het gezicht. De Profeet Mohammed (vzmh) schrok hiervan en keerde zich meteen om naar zijn vrouw om het bloed van haar gezicht te vegen en zei tegen Abu Bakr;
“Abu Bakr! Dit was niet de bedoeling toen we aan jou dachten om het geschil tussen ons beiden te beslechten!”
Oh mijn God! Mijn Vrouw!
Tijdens een reis zag de Profeet (vzmh) dat de kameel waarop zijn vrouw reed, geschrokken wegstormde. De Profeet die dit aanschouwde schrok hiervan en schreeuwde het haast uit;
“Oh mijn God! Mijn vrouw….!” En hij kalmeerde pas toen zijn vrienden de kameel vingen en waarmee het gevaar week.
U heeft niet het recht om uw dochter onder dwang uit te huwelijken
Een van de vrienden van de Profeet (vzmh) stond op het punt om zijn dochter onder dwang aan iemand uit te huwelijken. De dochter zocht hulp bij de Profeet (vzmh) en vroeg hem om raad;
“Boodschapper van Allah! Mijn vader dwingt mij om te trouwen met mijn neef terwijl ik dat niet wil. Wat moet ik doen?”
Hierop wendde de Profeet (vzmh) zich tot de vader en verklaarde;
“U heeft niet het recht om uw dochter onder dwang uit te huwelijken”.
Mijn vader is de profeet Aaron (vzmh)
Sommige mensen verafschuwden en treiterden de vrouw van de Profeet, Safiyya (moge Allah tevreden zijn met haar), omdat ze “de dochter van een Jood” was. Hierop ging ze naar de Profeet en vroeg om advies. Hierop verklaarde de Profeet;
“Indien zij dezelfde dingen blijven herhalen, zeg dan het volgende tegen ze; Mijn echtgenoot is de profeet Mohammed (vzmh), en mijn vader is de Profeet Aaron (vzmh) en mijn oom is de profeet Mozes (vzmh). Jullie zien dat ik boven jullie allen sta!”
Nu staan we gelijk
De pas getrouwde Aisha en de Profeet (vzmh) speelden een spelletje waarin ze tegen elkaar moesten racen. Aisha (moge Allah met haar tevreden zijn) had gewonnen. Een aantal jaren later, toen Aisha wat zwaarder was, herhaalden ze de race. Toen de Profeet (vzmh) had gewonnen, keek hij lachend naar haar om en zei;
“Nu staan we gelijk”.
Mag mijn vrouw ook komen?
Een van de buren van de Profeet (vzmh), een Perzische man, nodigde hem uit om van een speciaal soep te proeven die hij voor het eten had klaargemaakt. Denkend aan Aisha vroeg de Profeet; “Mag mijn vrouw ook komen?”
De buurman gaf aan dat hij niet wilde dat zij zou komen, waarop ook de Profeet niet naar het diner ging. Na een tijdje kwam de Perzische man en nodigde de Profeet weer uit, waarop de profeet vroeg of zijn vrouw ditmaal wel was uitgenodigd. De Perzische man reageerde weer negatief, waardoor de Profeet ook dit keer niet inging op de uitnodiging.
Een tijdje later kwam de Perzische man voor de derde maal om de hem uit te nodigen. Ook dit keer gaf de Profeet (vzmh) aan dat hij niet zonder zijn vrouw zou komen. Tenslotte ging de Perzische man overstag waarop ze allen tezamen van de soep konden genieten.
Troosten van Safiyya
Een van de Joodse gevangenen van Khaybar, Safiyya, trouwde met de Profeet Mohammed (vzmh). Haar vader en echtgenoot waren in een oorlog met de Moslims komen te overlijden. Gedurende het navertellen van hun eerste nacht vertelde ze als volgt;
De Boodschapper van Allah bracht zijn tijd door met enkel mij proberen te troosten. Dit ging door tot de volgende ochtend. Hij zei; “Wat kan ik doen? Je vader liet mij niet met rust. Hij probeerde alle Arabieren tegen ons in opstand te brengen.” Hoewel hij gelijk had, was hij diegene die zich continu aan mij verontschuldigde.
Ook jij bent haar slaaf!
Ali en Fatima (moge Allah tevreden zijn met haar) stonden op het punt om te trouwen. De Profeet (vzmh) keerde zich tot hen beide en zei;
“Ali, ik geef jou mijn dochter als jouw slaaf, maar vergeet niet dat ook jij haar slaaf bent.”
Ben je niet tevreden?
Op een plek dicht bij de moskee, speelden moslims uit Ethiopië een lokale spel. Geïntrigeerd door dit spel ging de Profeet (vzmh) naar zijn vrouw Aisha.
“Aisha, kom en kijk wat ik je wil laten zien.”
Aisha vertelde later als volgt;
“Ik plaatste mijn wang op de schouder van de Boodschapper en begon te kijken.”
Het spel duurde nogal lang. De Profeet keerde zich tot haar en vroeg;
“Vond je het leuk?” Om zijn liefde voor haar te testen zei Aisha; “Nee.” Hoewel de Profeet moe werd, bleef hij het achtereenvolgens proberen.
Dezelfde plek
Tijdens het eten en drinken besteedde de profeet aandacht aan de kleinste zaken om Aisha tevreden te stellen. Zo dronk hij uit hetzelfde glas als Aisha en nam hij een hap uit het vlees daar waar Aisha het had gebeten.
Ik hou van Aisha het meest
In een grote groep van mensen vroeg een vriend de Profeet van welke vrouw hij het meest hield. De Profeet (vzmh), zei zonder enig twijfel;
“Aisha”
Toen Aisha dezelfde vraag stelde aan het begin van hun huwelijk gaf de Profeet als antwoord;
“Als een verstrengelde knop.”
Aisha die zo tevreden was met het antwoord dat ze kreeg, herhaalde diezelfde vraag gedurende de komende jaren.
“En? Boodschapper van Allah! Is de verstrengelde knop nog steeds zo sterk?” Waarop de Profeet antwoordde;
“Net zoals op de eerste dag.”
De Boodschapper van Allah werd geboren in Mekka in het jaar 571 n.Chr., op een maandag in de islamitische maanmaand Rabīulạwwạl. Hij behoorde via zijn vader en zijn moeder tot de meest respectabele stam van de Qurạysh.
Zijn kinderjaren en zijn jeugd bracht de Boodschapper van Allah door in zuiverheid en voortreffelijkheid, die de kwalificaties zouden worden voor zijn toekomst. Gedurende een periode is hij herder geweest. Daarna raakte hij betrokken bij handelspraktijken. Hij werd bekend vanwege zijn eerlijkheid en rechtvaardigheid in de handel en hij werd een gerespecteerd en gewaardeerd persoon binnen de Mekkaanse gemeenschap.
De Boodschapper van Allah was de beste van zijn volk in termen van deugdzaamheid, de meest eerbare in termen van afkomst en de meest zuivere in termen van morele waardigheid. Hij respecteerde de rechten van zijn buren ten zeerste, was zachtaardig en loyaal, betrouwbaar en geloofwaardig, en hij hield zich verre van het verrichten van slechte daden ten opzichte van de mensen in zijn omgeving. Niemand heeft hem ooit iemand zien veroordelen of hem ooit een ander iets zien verwijten, noch had hij ooit ruzie met iemand. De Almachtige God bracht alle deugdzame daden en karakteristieken in hem samen. Zijn stam noemde hem “Mohammed ạl-Ạmīn”, hetgeen Mohammed de Betrouwbare betekent; op 25 jarige leeftijd werd hem deze naam in Mekka toegedicht. Zelfs de heidenen vertrouwden hem hun bezittingen meer toe dan dat ze elkaar vertrouwden.
Tijdens de renovatie van de Kaäba raakten mensen verdeeld over de keuze van degene, aan wie de eer te beurt zou vallen om de Hajạr ạl-Aswad (de Zwarte steen van de Kaäba) terug te plaatsen. Zij wendden zich tot onze Profeet voor een beslissende uitspraak. De Profeet voorkwam een ernstig conflict door een slimme oplossing te bedenken: hij liet een vertegenwoordiger van elke stam een hoek van het kleed vasthouden, waarop de Zwarte Steen was gedeponeerd. Samen tilden zij vervolgens de Zwarte Steen op, waarna Mohammed deze op zijn plaats zette.
Toen de Boodschapper van Allah 25 jaar was, bewonderde de uit de adel afkomstige Khadīja, een eerbare vrouw uit Mekka, hem dermate dat zij hem ten huwelijk vroeg. Zij was vijftien jaar ouder dan onze Profeet, tot twee maal toe weduwe geworden en in het bezit van kinderen. De Profeet accepteerde haar aanzoek en stichtte met haar een harmonische familie, die een voorbeeld voor de gehele mensheid zou worden.
De eerste vierentwintig jaar van zijn huwelijk, die samenvallen met zijn jeugdige, energieke leeftijd, bracht hij alleen met Khadīja door. Op dezelfde wijze bracht hij de vijf jaren daarna gedeeltelijk alleen en gedeeltelijk met Sạwdā door, eveneens een weduwe. Al zijn latere huwelijken waren gebaseerd op humanistisch-religieuze en politiek-religieuze motieven.
Indien sommige beschuldigingen, als zouden de redenen van deze huwelijken alleen vanuit begeerte en emoties zijn voortgekomen, op waarheid zouden berusten, dan zou de Boodschapper van Allah (zegeningen en vrede zij met hem) zijn jongere jaren en de meest energieke periode van zijn leven niet hebben doorgebracht met een weduwe die vijftien jaar ouder dan hijzelf was en ook nog in het bezit was van kinderen.[qtip:1| Islam, Dr. Murat KAYA]
[1] Islam, Dr. Murat KAYA
Imam Suyuti heeft het voglende over dit onderwerp gezegd: “Dat de mensen tijdens de geboortedag van onze Profeet (v.z.m.h.) bij elkaar komen om Koran te lezen, over Zijn (v.z.m.h.) persoon kennis verspreiden, voor deze dag eten schenken is bida-i hasene (mooie vernieuwing). Want tijdens deze bijeenkomst is er sprake van veel respect jegens de Profeet (v.z.m.h.) en is er tevens sprake van veel blijheid. Dit doet de eigenaar veel goede daden verrichten.”[qtip:1| Suyutî, el-Havî li’l-fetavî, 1/272-şamile]
Mawlid houdt “geboorte” in. Kandil houdt “het verlichten op bepaalde dagen” in. Wanneer we deze twee woorden bij elkaar brengen en “Mawlid Kandil” zeggen, wordt er gedacht aan de minaretten die verlicht worden op de dag van onze Profeet’s (v.z.m.h.) geboortedag. De moslims schenken leven middels religieuze gewoontes aan de twaalfde nacht van de maand Rebiu’l-awwal en verkeren in een ander soort blijheid en gelukkigheid. De moskee die overstroomd worden door mensen tijdens deze nacht, is om deze reden.
De moslims herdenken deze nacht voor zowel henzelf als voor hun kinderen. Wanneer ze aan zichzelf denken, denken ze aan de gebeden, het helpen van hun naasten en verschillende soorten goede daden. Wanneer ze aan hun kinderen denken, gaan ze voorzichtig te werk. Om deze onschuldige kinderen een onvergetelijke nacht te bezorgen, zoeken ze naar verschillende gelegenheden. Ze kopen tenslotte die dag leuke dingen voor de kinderen, gaan gesprekken met hen aan die ze leuk vinden, en zullen proberen een onvergetelijke nacht te bezorgen.
Het vieren van de verjaardag is in de Islamitische wereld voor het eerst gedaan door de Fatimii’s in Egypte, die tussen 910-1170 daar regeerden. Deze traditie was bestemd voor het paleis en vond enkel onder de elite plaats. De Fatimii’s vierden ook de verjaardagen van Hz. Ali en Hz. Fatima.
De eerste verjaardag onder de soenni Moslims was tijdens het Hidjri jaar 604. De zwager van Salaheddin Eyyubi en Melik Muzafferuddun Gökbörü hebben dit opgezet. De lange voorbereidingen werden gericht op het gehele volk. Muzafferuddin haalde rechters, prekers en andere geleerden bijelkaar bij Erbil en organiseerde dit met hen samen.
Na het ondergaan van veranderingen is er ook in Mekka de geboortedag georganiseerd. Na Mekka en Medina is de geboortedag van onze Profeet (v.z.m.h.) overal op een andere manier georganiseerd en wordt vandaag de dag nog gevierd.
Tijdens het Osmaanse rijk is de verjaardag voor het eerste door de 3e Murat in 1588 officieel geworden. De tradities werden in het paleis georganiseerd en werden in de moskees gevierd, die ook door het volk werd bijgewoond.
Tijdens deze verjaardag werd eerst de Koran gelezen en vervolgens werden er preken gehouden. Vervolgens ging de vierder van de verjaardag op de stoel zitten en las een gedeelte voor, vervolgens zat de volgende vierder op de stoel, enz. Uiteindelijk werd alles volgens vastgestelde regels beëindigd. [qtip:2| Asim Köksal, Islamitische geschiedenis]
----------------------------------
[1] Suyutî, el-Havî li’l-fetavî, 1/272-şamile
[2] Asim Köksal, Islamitische geschiedenis
Degenen die dit beweren, behoren dit zelf eerst te bewijzen. Zeggen dat de Profeet (v.z.m.h.) –Die (v.z.m.h.) alom bekend analfabeet was- gebruik heeft gemaakt van de Torah of Batlamyus, is een leugen en een beschuldiging.
In het vers: “En voordien placht gij geen boek te lezen, noch met uw rechter hand te schrijven anders zouden de leugenaars aan de (echtheid) ervan hebben kunnen twijfelen.”[qtip:1| Koran, 29/48] is openlijk bekend gemaakt dat de Profeet (v.z.m.h.) analfabeet was.
Als Hij (v.z.m.h.) geen analfabeet was en een dergelijk vers geopenbaard zou worden, zouden alle vijanden dit als propaganda tegen hem gebruiken en zou niemand Hem (v.z.m.h.) geloven; zelfs de gelovigen zouden afstand van Hem (v.z.m.h.) nemen. Dit is een weg die ieder rationeel mens zou volgen.
Aangezien er geen sprake is van een dergelijk geval en de Koran vele nog te komen gebeurtenissen vooraf heeft geopenbaard, is het een openlijk bewijs dat een dergelijk Boek -Dat duizenden wonderen omvat- aantoont dat de Profeet (v.z.m.h.) de Ware Profeet (v.z.m.h.) is.
Wanneer iemand zegt: “Batlamyus heeft deze kennis van Taplamyus gekopieerd” of “Profeet Mozes heeft de kennis in de Torah uit de bladzijdes van de Profeet Ibrahim gekopieerd”, wie kan hier weerstand tegen bieden?
Wanneer men een dergelijke bewering maakt, behoren zij zich van de volgende kwestie van de “kennis der logica” op de hoogte te zijn: Dat iets mogelijk is, betekent niet dat het ook per definitie plaats zal vinden. Een verbeelding van een idee of een mogelijkheid, kan niet de plek innemen van een bewijs en hij heeft ook geen enkele waarde.
Een voorbeeld: het is mogelijk dat de zwarte zee verandert in een gebied vol met suiker. Volgens de logica is dit een mogelijkheid. Echter, aangezien dit een mogelijkheid zonder een bewijs is, heeft het geen waarde.
Ook zo is het mogelijk dat de zon morgen niet op zal komen, maar niemand zal dit als zijnde waar accepteren, want er is hier geen enkel bewijs voor.
Net zo kan er over de profeten gedacht worden dat zij mogelijk hebben gelogen aangezien zij mensen zijn. Echter heeft een dergelijke mogelijkheid geen enkel waarde, omdat zij altijd tot Allah baden, alles omwille van Allah deden, altijd rechtvaardig waren, niemand hen ooit heeft horen liegen, wonderen hebben laten zien (wat een teken is van het Profeetschap) en dergelijke wonderbaarlijke gevallen hebben getoond.
Om deze reden wordt er geen waarde gehecht aan dergelijke mogelijkheden.
[1] Koran, 29/48
Woedoe verrichten voor het eten is niet verplicht, maar het wassen van je handen voor het eten is soennah.
De tijd voor de jaarlijkse handelsreis naar Damascus van de Mekkanen was aangebroken. De handels karavaan werd voorbereid en Eboe Talib die zich normaal gesproken niet voegde in deze handelsreis, had besloten om er dit jaar aan deel te nemen vanwege zijn financiële complicaties. Mohammed zag zijn oom zich voorbereiden op de handelsreis en wilde hem graag vergezellen. Echter vond Eboe Talib zijn neefje van twaalf nog te jong om mee te nemen voor een dergelijke reis. Hoe ontwikkeld Mohammed ook was, Eboe Talib vond het te risicovol voor hem. Het besluit van zijn oom maakte de wees erg verdrietig en met een gebroken hart vroeg hij zijn oom:
“O lieve oom, bij wie laat u mij achter? Ik heb geen vader en geen moeder meer. Aan wie vertrouwt u mij toe?”
Deze woorden raakten Eboe Talib diep van binnen. Zwaar ontroerd zei hij:
“Bij ALLAH, ik zal jou nooit verlaten!”
Het verdrietige gezicht van de wees straalde opeens van geluk. Haastig pakte hij opgewonden zijn spullen in en nadat alle preparaties waren afgerond, vertrok de handelskaravaan richting Damascus. De reis verliep soepel en na een aantal dagen reizen, kwamen ze aan in een provinciestad vol tuinen en fonteinen in de buurt van Damascus. Deze plaats heette Boesra.
Vlak voor de ingang van Boesra bevond zich een klooster dat bewoond werd door een monnik genaamd Bahîra. Hij was vroeger een Joodse geleerde en had zich, na onderzoek te plegen, tot het Christendom bekeerd en werd al snel een gerespecteerde geleerde onder de Christenen. In dat klooster bevond zich een boek dat er voor zorgde dat een ieder die in het klooster verbleef en dat boek las, het meest geleerd werd.[qtip:1 |Sîre, 1/191]
De Quraishieten zetten zoals elk jaar hun kamp op in de buurt van het klooster. De monnik die normaalgesproken nooit met hen in gesprek ging, verwelkomde ze opeens. Het warme onthaal van de monnik deed vraagtekens op komen bij de Mekkanen.
Bahîra had namelijk iets bij hen opgemerkt waar ze zelf niet van op de hoogte waren. Deze karavaan was anders dan de voorgaande jaren. Hij hield ze al een tijdje in het oog en zag dat er een wolk zich boven hen bevond. Waar ze ook heen gingen, de wolk bleef hen achtervolgen. Toen ze onder een boom stopten om hun kamp op te zetten, stopte de wolk ook en de takken van die boom bogen zich over iemand heen om diegene schaduw te bieden tegen de zonnige woestijn.
Na hiervan getuige te zijn geweest, kon de monnik zich niet beheersen en wilde weten wie de oorzaak was van deze wonderbaarlijke merkwaardigheden. Hij nodigde de Quraishieten uit voor een maal. Een ieder die deel uit maakte van hun karavaan moest eraan deelnemen, geen mocht achterblijven. De Quraishieten konden hun verwardheid niet verbergen en vroegen waarom de monnik, die hen de voorgaande jaren niet eens groette, nu opeens belangstelling toonde. Bahîra hield zijn reden voor zich en zei:
“Wat jullie zeggen klopt, desalniettemin zijn jullie hier te gast en wil ik jullie verwelkomen, daarom heb ik een maal voor jullie voorbereid. Komt allen aan tafel en laten we gezamenlijk eten.”
Al waren zij verward, ze weigerden de uitnodiging van de monnik niet en verzamelden zich allen aan tafel. Mohammed was de enige die zich niet onder de aanwezigen bevond. Hij kreeg namelijk de opdracht om de karavaan te hoeden omdat hij de jongeste was onder hen.
Terwijl de gasten aan tafel begonnen te eten, analyseerde de monnik alle aanwezigen om degene die de reden was van de mirakelen te vinden. Tot zijn grote verbazing, kon geen van de aanwezigen diegene zijn naar wie hij op zoek was. Hij hoorde veel stralender te zijn dan deze gasten, daarom vroeg Bahîra hen of iedereen van hun stam wel present was. Ook zag hij dat de wolk zich nog boven de karavaan bevond, daarom moest er wel iemand ontbreken. De Quraishieten lieten hem weten dan iedereen aanwezig was, behalve de jongste onder hen, die was aangesteld om hun karavaan te bewaken. Bahîra stond er op dat iemand hem ophaalde om hem ook deel te laten nemen aan de maal. Niemand begreep waarom hij zo aandrong, maar de wees werd opgehaald.
De monnik zag dat de wolk boven de karavaan naderde, want daar kwam Mohammed aangelopen. Vol bewondering waren de ogen van Bahîra naar de wees gericht. Het kind nam plaats en begon mee te eten, terwijl de monnik verwonderd op al zijn bewegingen en handelingen lette. Hij kon zijn ogen niet van hem af houden.
Dit was degene die hij zocht en in levende lijve zag hij er nog stralender uit dan in zijn verbeeldingen. Zijn oogverblindende uitstraling, zijn ongeëvenaarde manieren en handelingen kwamen overeen met de beschrijvingen van de laatste profeet waarover hij gelezen had. Zou dit kind dan werkelijk diegene zijn?
Op het moment dat iedereen van tafel ging, benaderde de monnik het kind en fluisterde in zijn oor:
“Bij Lat en Oezza, beantwoord mijn vragen die ik voor jou heb opgesteld naar waarheid.”
Ergernis was af te lezen op het gezicht van het verlichte kind toen hij de twee namen van de afgodsbeelden hoorde en verafschuwd zei hij:
“Vraag mij niets in de naam van Lat en Oezza. Bij ALLAH, niets verafschuw ik meer dan hen!”
De monnik moest glimlachen en zei vervolgens:
“Bij ALLAH, geef antwoord op mijn vragen naar waarheid.”
Mohammed zei daarop:
“Vraag wat u wilt”.
De antwoorden van de twaalfjarige deden de monnik versteld staan. Alleen de Verkorene zou in staat zijn om zijn vragen te kunnen beantwoorden zoals hij dat deed. Tot slot vroeg hij hem of hij zijn rug mocht zien en nadat de wees het teken der profeetschap tussen zijn schouderbladen zichtbaar maakte voor de monnik, verdwenen alle twijfels. Dit zou de laatste en grootste gezant worden van ALLAH!
Hij liep naar Eboe Talib en het volgende gesprek ontstond tussen de twee:
Bahîra: “Wat is dit kind van jou?
Eboe Talib: “Dit is mijn zoon.”
Bahîra: “Nee, dit is niet uw zoon! Zijn vader hoort niet in leven te zijn.”
Eboe Talib: “U hebt gelijk, hij is niet mijn zoon. Hij is mijn neef.”
Bahîra: “Wat is er met zijn vader gebeurd?”
Eboe Talib: “Die overleed toen zijn moeder nog in verwachting was van hem.”
Bahîra: “Nu spreekt u de waarheid! Neem uw neef mee en keer zo snel mogelijk weer terug naar het land waar u vandaan komt. Bescherm hem tegen kwaadgezinde Joden, want bij ALLAH, als zij hem zien en opmerken wat ik heb opgemerkt, zullen ze hem iets aandoen. Uw neef zal een verheven naam verkrijgen in de toekomst. Verspil geen tijd en vertrek zo snel mogelijk!”[qtip:2 |Sîre, 1/191-194; Tabakât, 1/153-155; Ensab, 1/96-98; Taberî, 1/194-195]
Eboe Talib raakte zeer verontrust door deze woorden van Bahîra. Zonder verder te reizen naar Damascus, verkocht hij al zijn handelswaar in Boesra en keerde zonder tijd te verdoen weer terug naar Mekka met zijn gezegende neef.[qtip:3 | Sîre, 1/194; Tabakât, 1/155; Ensab 1/97]
In de tijd der profeetschap verschenen er vele Joden en Christenen zoals Bahîra die ook bekenden dat de eigenschappen van Mohammed beschreven stonden hun boeken. Alsnog waren er vele onder hen die zich zelfs na deze bekentenis niet bekeerden tot de Islam.
[1] Sîre, 1/191
[2] Sîre, 1/191-194; Tabakât, 1/153-155; Ensab, 1/96-98; Taberî, 1/194-195
[3] Sîre, 1/194; Tabakât, 1/155; Ensab 1/97
Zelfs tegenover de dieren was onze Profeet (vzmh) zeer vriendelijk
Hij was op weg naar de grootste overwinning van Zijn leven. Hij leidde een leger dat tien duizend soldaten telde en stond op het punt Mekka binnen te treden, die zowel zijn huis als geboorteland was.
Terwijl Hij voor aan het leger aan het marcheren was, zag Hij een hond die net was bevallen aan haar puppies. Hij riep zijn vriend Suraka -de zoon van Juayl- en beval hem:
"Je zal voor de moeder en haar puppies staan en hen bewaken en bescherm tegen verplettering tot het hele leger voorbij is."
De moeder en haar puppies werden niet gestoord, doordat het leger, dat tien duizend soldaten telde, van richting was veranderd.
Het dier dat niet in staat is te spreken
Toen op een dag onze Profeet (vzmh) liep, zag Hij een magere kameel wiens buik kleefde aan zijn rug. Hij (vzmh) werd verdrietig en wendde zich tot de eigenaar:
"Vrees Allah terwijl je dit dier verzorgt, dat niet in staat is te spreken!"
Zijn neef Abdullah -de zoon van Abbas- heeft het volgende overgeleverd: “Op een dag gingen we ergens heen met de Profeet van Allah. Iemand bond een schaap voor het slachten en sleep zijn mes voor haar ogen. Profeet Mohammed (vzmh) vroeg aan de eigenaar:
"Ben je van plan haar keer op keer te doden?"
Hij (vzmh) zat met Zijn vrienden. Een kameel kwam rennend tot hem en stopte. Het leek alsof ze op zoek was naar een schuilplaats. Na een korte tijd kwamen de eigenaren aan die haar achtervolgden
Zij zeiden: ”O boodschapper van Allah! Deze kameel is van ons. We zijn drie dagen op zoek naar haar. Wij hebben haar eindelijk in Uw buurt gevonden.”
De kameel stond achter de profeet Mohammed. Hij (vzmh) sprak zonder haar teugel los te laten:
“Maar je kameel is zoveel aan het klagen over jou.”
Haar eigenaren vroegen verbaasd:
“O Boodschapper van Allah, wat zegt ze?”
“Ze is door jullie opgevoed; ze heeft jaren goederen vervoerd; zij heeft jullie veel kinderen gegeven en vervolgens hebben jullie geprobeerd haar te slachten om haar vlees te eten”
“Ja, O Boodschapper van Allah, U heeft precies gezegd wat er is gebeurd.”
Daarop heeft de profeet Mohammed (vzmh) de kameel gekocht door honderd zilveren munten te betalen en vervolgens wendde Hij zich tot de kameel:
“O kameel, ga nu. U bent vrij omwille van Allah en nu kan niemand je raken”.
Uit vers 50 van Soera Al-Ahzaab kunnen we begrijpen dat onze profeet (vzmh) tantes heeft
Onze profeet (vzmh) heeft zes tantes van vaderskant. Hun namen zijn; Beyzâ, Berra, Atike, Safiyye, Erva en Oemeyme. Hiervan geloofden Atike, Safiyye en Erva in islam.
Onze profeet (vzmh) heeft ook twee tantes van moederskant. Deze heten Ferîda en Fahita. Zij zijn beide overleden voordat het profeetschap naar onze profeet was gekomen.
Zoals de verzen 152 – 165 van Al’i Imraan ernaar verwijzen, waren de boogschutters die hun plek hadden verlaten, terwijl de profeet hen bevolen had die niet te verlaten, de reden waarom de moslims de strijd van Oehoed verloren hadden. Een enkele ongehoorzaamheid tegenover een bevel van de profeet deed plotseling de hele staat van de oorlog veranderen.
Als we daarbij op punt van wijsheid deze nederlaag analyseren, zien we de volgende verzen verschijnen:
“Mochten jullie letsel hebben opgelogen,dat volk liep een soortgelijke letsel op. Zulke dagen doen wij onder de mensen omwisselen om de gelovigen te onthullen en martelaren uit jullie midden te halen; en ALLAH houdt niet van de onrechtvaardigen.”[qtip:1| Al’i Imraan, 140]
Hier zien we dat ALLAH die nederlaag schonk om de oprechtheid en zuiverheid van de moslims te testen, om metgezellen zoals Hamza, Moesab bin Oemeyr en Abdullah ibni Djahsj naar het niveau van martelaarschap te verheffen en om duizenden meerdere wijsheden welke wij niet kunnen bevatten.
Buitendien streden de moslims tegen vele mensen die zich in de toekomst zouden bekeren tot de Islam en verheven metgezellen zouden worden, zoals Khalid bin Welied. Om hun trots niet volledig te schaden, schonk de Alwijze hen een vervroegde beloning door hen de overwinning te laten behalen omwille van de gezegende taken die zij na acceptatie van de Islam zouden verrichten.[qtip:2| Risale-i Nur, de Flitsen]
De leider van Oehoed van de destijdse heidenen: Eboe Soefyan, de grootste reden voor de nederlaag van de moslims in Oehoed: Khalid bin Welied en dergelijke grootheden bekeerden zich pas na de overeenkomst van Hoedeybiye.
[1] Al’i Imraan, 140.
[2] Risale-i Nur, de Flitsen.
De Schepper schiep de vader der mensheid: Adem. Het moment dat Adem zijn hoofd hief en naar het uiterste der schepping keek, zag hij dat er met een schitterend licht: “Ahmed” stond geschreven. Nieuwsgierig vroeg hij:
“O mijn Heer, wat is dat?”
Het antwoord van ALLAH:
“Dat is het licht van een profeet uit jouw nageslacht. Zijn naam is: “Ahmed” in de hemelen en “Mohammed” op aarde. Omwille van hem heb ik jou geschapen!”[qtip:1| Kastalanî, Mevahibu'l-Ledunniye: 1/6]
Het licht dat met heel zijn praal de hemelen verlichtte, schitterde vervolgens als eerst op het voorhoofd van Adem.
Toen Adem en Eva als boetedoening naar de aarde werden gezonden en van elkaar werden gescheiden, bad Adem jaren om vergeven herenigd te worden en met zijn vrouw. Geen van zijn smeekbeden werden aanvaard, totdat hij op een dag als volgt smeekte: “O mijn Heer, omwille van Uw liefde voor wiens naam in de hemelen naast de Uwe in licht staat geschreven, vergeef en herenig ons”, waarop ALLAH zijn smeekbede aanvaardde, hen vergaf en herenigde.
[1] Kastalanî, Mevahibü'l-Ledünniye: 1/6.
Wij horen te geloven in alle profeten die God gezonden heeft. Zij zijn zowel de trots als de leiders van de mensheid.
Profeten zijn de meest verheven en loffelijke individuen. Hoewel zij het topniveau van de menselijke waarde bereikt hebben, is er ook verschil tussen deze heilige excelenties. De volgende verzen tonen aan dat er verschillen zijn tussen hun niveau’s:
“Van deze boodschappers hebben wij sommigen boven anderen verheven.”[qtip:(1)| De Koran, El Baqarah: 2/253, El Israa: 17/21,55]
Verder toont het volgende vers aan dat de profeet Mohammed v.z.m.h de reden van barmhartigheid is voor het hele bestaan:
“En Wij hebben jou (Mohammed) slechts als genade voor de werelden gezonden.”[qtip:(2)| De Koran, soerah El Enbiya: 21/107]
Bovendien heeft onze profeet (v.z.m.h.) het volgende verkondigd:
“Zolang jullie ALLAH en zijn profeet niet meer liefhebben dan alles, kunnen jullie geen ware gelovigen zijn.”
Onder het licht van de bovengenoemde informatie kunnen we stellen dat geloof liefde voor alle profeten vergt. De profeet Mohammed het meest liefhebben onder hen daarentegen, toont de vervolmaking van het geloof aan.
[1] De Koran, El Baqarah: 2/253, El Israa: 17/21,55
[2] De Koran, soerah El Enbiya: 21/107
Als de Profeet (v.z.m.h.) 's nachts niet voldoende had geslapen en als Hij de mogelijkheid had, dan sliep Hij na het middag gebed maximaal één uur. Dit wordt ook wel kaylule genoemd.
Hij (v.z.m.h.) lag altijd op Zijn rechterzijde en legde Zijn rechter hand onder Zijn rechter wang. Ook onderweg sliep Hij (v.z.m.h.) op Zijn rechterzijde en maakte Hij van Zijn rechter arm een kussen. Als Hij (v.z.m.h.) voor een korte periode zou rusten, dan ging Zijn voorkeur uit naar op Zijn rug liggen. Hij (v.z.m.h.) vond het niet fijn om op Zijn buik te liggen en vertelde Zijn metgezellgen dit ook niet te doen en zei hierover: "Dit is een manier van liggen die Allah niet fijn vindt."
Het bed van de Profeet (v.z.m.h.) was soms leer gevuld met bladeren van de dadelboom, soms dubbel gevouwen kleed, soms vlechtwerk en soms op een gewoon bed. Het kwam zelfs voor dat Hij (v.z.m.h.) op de aarde sliep.
Hz. Aisha (r.a.) heeft het volgende verteld:
"Iedere nacht wanneer Rasoelallah (v.z.m.h.) naar bed ging, las Hij de soerahs Felak en Nâs, daarna bracht Hij (v.z.m.h.) Zijn handen naar elkaar toe en blies ernaar, en vervolgens wreef Hij met Zijn (v.z.m.h.) handen de plekken waar Hij bij kon komen. Zo wreef Hij (v.z.m.h.) Zijn handen eerst over Zijn hoofd, daarn Zijn gezicht, daarna Zijn borst, armen, knieën en zo wreef Hij (v.z.m.h.) dus het geheel van Zijn lichaam's voorkant. Deze beweging herhaalde Hij (v.z.m.h.) tot drie maal toe."
Bron: Rukiye Gönüllü
Toen de Boodschapper van Allah (vzmh) de leeftijd van veertig jaar had bereikt, verleende Allah de Almachtige hem het profeetschap met het gebod: “Lees! In de naam van jouw Heer, Die [alles] heeft geschapen."[qtip:1 | De Koran, al-Alaq, 96: 1]
In de eerste dagen na de aankondiging van zijn profeetschap verzamelde de Boodschapper van Allah (vzmh) de mensen van de Qurạysh-stam en vroeg hij hun, vanaf een rots op de heuvel van Safā: “O gemeenschap van Qurạysh! Als ik jullie zou vertellen, dat zich aan de rand van deze berg of in die vallei daar een vijandelijk leger ophoudt, dat op het punt staat om jullie aan te vallen en jullie bezittingen in beslag te nemen, zouden jullie mij dan geloven?” Zonder te aarzelen antwoordden zij: “Ja, wij zouden jou geloven, want jij hebt ons altijd de waarheid verteld. We hebben jou nog nooit horen liegen!”
Hierop verklaarde de Boodschapper van Allah (vzmh) dat hij een profeet was, gestuurd door Allah. Duidelijk geëmotioneerd vertelde hij aan de mensen dat, indien zij in zijn woorden zouden geloven en een goed leven zouden leiden in overeenkomst met de geboden van Allah, zij zouden worden beloond met de meest royale giften en geschenken in het Hiernamaals. Hij vertelde ook dat de ongelovigen een pijnlijke bestraffing tegemoet zouden kunnen zien. Hij verduidelijkte hun dat het noodzakelijk was om zich tijdens het wereldse leven op het eeuwige leven voor te bereiden. Hij kwam er echter al snel achter dat het erg moeilijk zou zijn om mensen zich af te doen keren van hun verkeerde geloofsovertuigingen.[qtip:2 | Zie Sahīh ạl-Bukhārī, Tạfsīr]
De Boodschapper van Allah (vzmh) liet vanaf die dag geen moment onbenut om zijn mensen uit te nodigen tot de waarheid, ongeacht hun afkeer en hun tegenwerking. Hij ging van deur tot deur, hij bezocht de pelgrims en de markten, en hij trachtte mensen uit te nodigen tot het rechte pad bij iedere gelegenheid die zich voordeed. Hij wist niet van opgeven en hij liet zich niet kennen door moeilijke situaties, hij vertelde hen steeds opnieuw dezelfde waarheden, zelfs tegen de mensen die zich jegens hem op de meeste vijandige wijze gedroegen. Door mensen te vertellen: “Geen beloning vraag ik jullie voor deze Koran, noch behoor ik tot degenen die zich anders voordoen dan ze zijn”[qtip:3 | De Koran, Sād, 38: 86], maakte hij de mensen duidelijk dat hij de Islam alleen omwille van Allah verspreidde.
De Boodschapper van Allah (vzmh) was ongeletterd; zoals vele mensen in zijn tijd kon hij niet lezen of schrijven. Het was dus voor hem niet mogelijk om geschreven teksten van anderen over te nemen of boeken te lezen, om vervolgens de inhoud daarvan aan mensen te verkondigen. Voor een ongeletterd persoon is het alleen mogelijk om, na zijn veertigste jaar, vanuit het niets zulke belangrijke informatie, van een zodanig hoog niveau en van een zodanige welbespraaktheid te verkondigen, indien deze hem via openbaringen zijn gegeven. Zelfs zijn vijanden in die tijd waren op de hoogte van zijn ongeletterdheid en erkenden de uniekheid van zijn boodschap. De Koran zegt: “Jij hebt tevoren geen boek voorgelezen, noch met je rechterhand opgeschreven; dan zouden zij die valsheid volgen [reden hebben om te] twijfelen."[qtip:4 | De Koran, ạl-Ankabūt, 29: 48]
De afgodenaanbidders waardeerden de moraal van onze Profeet (vzmh) en waren bereid te accepteren dat hij geen leugens verkondigde. Echter, zij waren niet bereid om hun onrechtmatig verkregen wereldse belangen en hun lichamelijke begeertes achter zich te laten.
Op een dag stopte de Boodschapper van Allah (vzmh) bij Ạbū Jạhl en zijn naaste vrienden, die aartsvijanden van de Profeet waren. Zij zeiden: “O Muhammed! Bij Allah, wij maken jou niet uit voor een leugenaar, jij bent volgens ons een zeer waarheidlievend persoon. Echter, wij ontkennen de verzen waarmee jij aankomt."[qtip:5 | ạl-Wāhidī, Ạsbāb ạl-Nuzūl]
De afgodenaanbidders probeerden alles om de Profeet (vzmh) ertoe over te halen met zijn missie te stoppen. Ze vroegen zijn geliefde oom om tussen hen te bemiddelen. Zij benaderden onze Profeet (vzmh) met aantrekkelijke voorstellen, zoals hem tot koning te kronen, geld voor hem te verzamelen en hem de rijkste man onder hen te maken, hem te laten trouwen met de prachtigste vrouwen. Zij zeiden: “Wij zijn bereid om voor jou alles te doen wat je van ons vraagt.” De Boodschapper van Allah (vzmh) gaf zijn antwoord op een duidelijke en heldere manier: “Ik wil helemaal niets van jullie. Noch goederen, noch materiële zaken, noch koningschap, noch leiderschap! Het enige wat ik wil is dit: stop met het aanbidden van beelden en aanbid Allah, de Enige!”.[qtip:6 | Ibn Kạthīr, ạl-Bidāyạh wạ ạl-Nihāyạh]
Toen de afgodenaanbidders zich realiseerden, dat zij niet tot een compromis met de Boodschapper van Allah (vzmh) konden geraken, richtten zij zich geheel op vijandige handelingen. Met de dag voerden zij de onderdrukking en de martelingen van de moslims op. Sommige moslims migreerden naar Ethiopië, dat in die tijd op een meer rechtvaardige manier werd geregeerd.
De afgodenaanbidders verbraken alle menselijke relaties met de moslims en met hun beschermers, de Bạnū Hāshim, de stam van de Profeet (vzmh), hetgeen eveneens inhield dat gemengde huwelijken en civiele transacties waren verboden. Zij legden hun actie vast in een geschreven verdrag, dat zij bevestigden op de muur van de Kaäba. Deze boycot en dit embargo werden gedurende drie jaar voortgezet, waarbij de intensiteit ervan toenam: de moslims hadden sterk te lijden van de honger en van andere problemen die de verslechterende situatie met zich meebracht.
De Boodschapper van Allah (vzmh) begaf zich, samen met Zạyd ibn Hārithạh (r.a), naar de stad Tāif, 160 kilometer van Mekka verwijderd. Hij bleef daar gedurende tien dagen en sprak met de leiders van de stam van Thaqīf, waarvan sommige tot de familie van zijn moeder behoorden, om hen ertoe te bewegen hem steun te verlenen. Maar ook door hen werd hij bespot en belasterd. Uiteindelijk stuurden zij zelfs slaven en kinderen naar wegen waar de Boodschapper van Allah langskwam, welke stenen naar hem gooien en hem beledigden. Zelfs geconfronteerd met deze afschuwelijke daad vervloekte de Profeet hen niet, ook al bloedde hij zo hevig, dat zijn sandalen aan zijn voeten bleven plakken.
In plaats daarvan bad hij voor hen: “O Allah! Ik lucht mij hart bij Jou, vanwege mijn verminderde krachten, vanwege mijn hulpeloosheid, omdat ik in de ogen van de mensen als waardeloos en minderwaardig word beschouwd. O Meest Genadevolle! Indien Jij niet boos op mij bent, maak ik mij geen zorgen over mijn problemen! O mijn God! Geef mijn volk leiding, zij weten het niet. O mijn God! Ik vraag hier om Jouw vergiffenis, totdat Jij tevreden bent gestemd."[qtip:7 | Ibn Hishām, ạl-Sīrah ạl-Nạbạwiyyạh]
De Boodschapper van Allah (vzmh) beschrijft zijn terugkomst van Tāif als volgt: “Ik bevond me op de weg terug en wandelde in diep verdriet verder. Ik kon niet tot mijzelf komen totdat ik belandde op een plaats genaamd Qarn ạl-Sạālib. Toen ik mijn hoofd daar omhoog richtte, zag ik dat een wolk mij overschaduwde. Toen ik nog zorgvuldiger keek, bemerkte ik in de wolk Djibrīl.
Hij zei tegen mij: ‘De Almachtige God heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd en hoe zij hebben geweigerd om jouw bescherming te bieden. Hij heeft de Engel van de Bergen tot jou gezonden, opdat je hun kan aandoen wat je hun wenst aan te doen.’
Toen begroette de Engel van de Bergen mij en zei: ‘O Muhammed! De Almachtige Allah heeft mij gezonden om te doen wat jij wenst. Wat wil je dat ik doe? Indien je dat wenst, kan ik deze twee bergen op hun hoofden doen ineenstorten.’ Toen zei ik: ‘Nee, ik bid tot de Almachtige God, dat Hij nakomelingen doet voortkomen uit hun bloedlijnen, die alleen Hem aanbidden en geen partners aan Allah toekennen’."[qtip:8 | Sahīh ạl-Buchārī]
In die dagen werd een groep mensen afkomstig uit Medina moslim. Deze mensen begonnen in Medina met het prediken van de Islam en vroegen onze Profeet (vzmh) om iemand te sturen in het bezit van kennis. Mus’ab ibn Umạyr werd hiertoe aangewezen en binnen de kortst mogelijke tijd was er geen huis meer in Medina te vinden waar de Islam niet was binnengetreden. Nadien nodigden zij de Boodschapper van Allah (vzmh) zelf uit om naar Medina te komen en beloofden zij dat ze hem zouden beschermen.[qtip:9 | Islam, Dr. Murat Kaya]
[1] De Koran, ạl-Alaq, 96: 1.
[2] Zie Sahīh ạl-Bukhārī, Tạfsīr, 26/2; Musnạd Ahmạd bin Hanbạl, I, 159, 111.
[3] De Koran, Sād, 38: 86.
[4] De Koran, ạl-Ankabūt, 29: 48.
[5] ạl-Wāhidī, Ạsbāb ạl-Nuzūl, p. 219; Sunạn ạl-Tirmizī, Tạfsīr, 6/3064.
[6] Ibn Kạthīr, ạl-Bidāyạh wạ ạl-Nihāyạh, III, 99-100.
[7] Ibn Hishām, ạl-Sīrah ạl-Nạbạwiyyạh, II, 29-30; ạl-Hạythạmī, Majma' ạl-Zạwā'id wạ Mạnba’ ạl-Fawā'id, VI, 35.
[8] Sahīh ạl-Buchārī, Bạd ạl-Chalq, 7; Sahīh Muslim, Jihād, 111.
[9] Islam, Dr. Murat Kaya
Tijdens de geboorte van de Lieveling werden er onmiddellijk vele merkwaardige voorvallen opgemerkt. Bij de bevalling bevonden Shifa en Fátima zich onder de aanwezigen. Op het moment dat hij op aarde kwam, scheen er een lichtstraal vanuit de schaamstreek van Amine tot aan de horizon die het oosten en westen verlichtte. De aanwezigen zagen dat hij besneden ter wereld was gekomen. Shifa vernam een stem die het volgende tegen hem fluisterde:
“Moge de barmhartigheid van ALLAH met jou zijn.”
De schoonheid van de pasgeborene was met geen baby te vergelijken. Zijn lipjes bewogen, de woorden “Oemmetie, Oemmetie” (mijn volgelingen, mijn volgelingen) vloeiden zachtjes uit zijn mondje. Hier werd al duidelijk hoe enorm veel liefde hij koesterde voor zijn volgelingen. Shifa was de eerste die hem borstvoeding gaf en werd zijn allereerste zoogmoeder.
De wonderbaarlijke voorvallen begonnen in zijn huis, spreidden zich uit over Mekka, vervolgens over de wereld en uiteindelijk reikten zij de hemelen. De volgende gebeurtenissen die op de nacht van zijn geboorte plaatsvonden, kunnen door geen bezitter van een rationeel verstand aan toeval verwezen worden.
Vele vastgetimmerde afgodsbeelden in de Kaba vielen stuk. Dit verwees ernaar dat de Pasgeborene de mensheid zou verlossen van afgoderij. Alle veertien bastions van een fameus paleis in het Perzische rijk stortten in. Dit verwees ernaar dat de Gearriveerde een einde zou brengen aan de heerschappij van het Perzische rijk. Er verscheen een licht dat heel het oosten en westen verlichtte. Dit verwees ernaar dat de wetten die de Uitverkorene zou brengen, heel het oosten en westen zouden omvatten. Het aantal vallende sterren vermeerderden zich drastisch. Dit verwees ernaar dat er een einde was gekomen aan waarzeggerij. Tot op de dag van zijn geboorte waren er waarzeggers die de toekomst konden voorspellen door middel van duivelse geesten die het verborgene vernamen via de hemelen. Tijdens zijn geboorte werden de hemelen overladen met engelen die de duivelse geesten verjoegen; daardoor werden vallende sterren gevormd. Het vuur dat sinds duizend jaar brandde en vuuraanbidders aantrok in Istahrabat, was opeens uitgedoofd. Dit verwees naar de beëindiging van vuuraanbidding. De vijver van Taberiyye die door mensen heilig werd verklaard, was opeens uitgedroogd. Dit verwees naar de beëindiging van het verheiligen van creaties. Een ster werd gelijktijdig met zijn geboorte geboren. Dit verwees naar de aankomst van de Verwachte.
Voor gedetailleerde informatie, raadpleeg: El-Khasais'oel-Koebra, deel 1 van Djelal’ed-Dien Soeyoetie.
Het was het kalenderjaar 630, de Profeet was in de Mạsjid ạl-Nabawī (Moskee van de Profeet) in gesprek met zijn metgezellen. Een vreemdeling verscheen voor de ingang van de moskee: een grote, sterke man, zijn lange, samengevlochten haar aan beide kanten van zijn hoofd opgeknoopt. Hij stapte met één snelle beweging van zijn kameel af. Hij bond het dier op de binnenplaats van de moskee vast en liep zelfbewust naar degenen die op de grond zaten en vroeg:
- “Wie van jullie is Muhammed?”
Het was direct duidelijk dat hij geen moslim was, want als moslims zich tot de Profeet richtten, waren zij gewoon hem aan te spreken met de titel die hem was gegeven door Allah de Verhevene, “de Boodschapper van Allah”, en niet met zijn naam.
De nobele metgezellen wezen hem de Boodschapper van Allah aan en zeiden:
- Hier is hij, de persoon met een lichte, blanke huid, die tegen de muur geleund zit.
De Profeet had geen speciale eigen plaats in de Mạsjid ạl-Nạbạwī, noch droeg hij een speciale kledingstuk.
Hij zat altijd bij zijn metgezellen alsof hij één van hen was. Een vreemdeling die zijn roze getinte gezicht nooit had gezien, zou niet in staat zijn geweest om hem van de anderen te onderscheiden.
De man benaderde de Boodschapper van Allah en sprak hem aan met de naam van zijn grootvader:
- O, zoon van Abdul-Muttalib!
De Boodschapper van Allah beantwoordde zijn minder verfijnde woorden:
- Ga je gang, ik luister naar je.
De man zei:
- Ik wil je bepaalde vragen stellen. Indien ik je extreme dingen vraag, wees dan alsjeblieft niet beledigd.
Toen zei de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem): “Ik zal niet beledigd zijn, vraag wat je wil.”
Daarna ontwikkelde zich tussen hen het volgende gesprek:
- Volgens de boodschapper die je naar onze stam hebt gestuurd, heb je gezegd dat Allah jou als profeet heeft gezonden. Ik vraag je in de naam van jouw Heer en de Heer van degenen vóór jou: is het Allah Die jou naar de gehele mensheid heeft gezonden?
- Ja, Allah heeft mij gezonden.
- Wie heeft dan deze hemelen geschapen?
- Allah heeft hen geschapen.
- Hoe zit het dan met de aarde?
- Allah heeft die ook geschapen.
- Wie heeft dan deze bergen op de aarde gezet?
- Allah deed dat.
- Jij gebiedt alleen Allah te aanbidden, af te zien van de afgoden en geen enkele partner aan Hem toe te schrijven. Ik vraag in de naam van Allah. Heeft Allah deze dingen aan jou geopenbaard?
- Ja, Allah heeft ze aan mij geopenbaard.
- Zeg me, in naam van de liefde voor Allah. Heeft Allah je bevolen om vijf keer per dag te bidden?
- Ja, Allah heeft me dat bevolen.
- Zeg me, in naam van de liefde voor Allah. Heeft Allah jou bevolen om gedurende de maand Ramadan te vasten?
- Ja, Allah heeft me dat bevolen.
- Zeg me, in naam van de liefde voor Allah. Heeft Allah jou bevolen om de verplichte aalmoezen (de zakāt) van onze rijken te nemen en aan onze armen te geven?
- Ja, Allah heeft me dat bevolen.
De nobele metgezellen luisterden aandachtig naar de logische en helder geformuleerde vragen van de vreemdeling. De man vervolgde:
- Volgens hetgeen jouw gezant heeft verteld vraag je van diegenen van ons die over de financiële middelen beschikken, dat zij een bezoek dienen te brengen aan de Kaäba. Is dat juist?
- Ja, mijn gezant vertelde de waarheid.
- Zeg me, in de naam van de liefde voor de Ene Die jou als profeet heeft gezonden. Heeft Allah jou dit alles bevolen?
- Ja, Allah heeft me dit alles bevolen.
De man kreeg op elke vraag een bevestigend antwoord; vervolgens verklaarde, terwijl hij in volle oprechtheid naar de Profeet keek:
- Ik geloof zeker dat er geen andere god bestaat dan Allah. Ik ben er van overtuigd dat Muhammed Zijn dienaar en Zijn boodschapper is. Ik geloof in alle geboden die jij van Allah hebt ontvangen, ik zal deze correct uitvoeren.
Ik zal ook wegblijven van alles wat je hebt verboden. Ik ben Dimām bin Sa’lạbạh van de stam van Saad bin Bakr. Ik ben naar jou gekomen als vertegenwoordiger van mijn stam. Ik zweer bij de naam van Allah, Die jou als profeet heeft gezonden, dat ik niet meer en niet minder zal doen dan wat jij hebt bevolen.
Dimām stond op, maakte zijn kameel los, sprong erop en begaf zich op de terugweg naar zijn stam.
Toen de nobele metgezellen waren bekomen van hun verbazing, zagen ze op het gezicht van de Boodschapper van Allah een geamuseerde glimlach verschijnen. Het volgende goede nieuws kwam uit zijn gezegende mond:
- Als deze man met het samengevlochten haar de waarheid vertelt, dan treedt hij het Paradijs binnen.
(Sahīh ạl-Bukhārī, ‘Ilm, 6; Sahīh Muslim, Īmān, 10)
In de eerdere religies was er niet zoiets als handen wassen voor het eten. Voor het eten handen wassen, heeft de Profeet (v.z.m.h.) als eerst ingevoerd. Wat de wassing voor het gebed is, is handen wassen voor het eten; handen voor het eten wassen, is dus de wassing van het eten. Onze Profeet (v.z.m.h.) heeft het volgende gezegd:
“Wie met vuil aan zijn hand slaapt, en als hem in de nacht iets overkomt, dan is niet iemand anders, maar enkel hij zelf daar schuldig aan.”
Ibn-i Sa’d en Tirmizi geven aan dat de Profeet (v.z.m.h.) een zakdoek bij zich had en wanneer Hij de wassing deed of Zijn handen waste, hij met deze handdoek zijn handen droogde.
Selman-i Farisi vertelt: Ik had in de Bijbel gelezen dat na het eten de handen wassen een reden tot verrijking in het eten is. Toen ik dit aan de Profeet (v.z.m.h.) vertelde, zei Hij (v.z.m.h.):
“De verrijking in het eten is wanneer voor en na het eten de handen worden gewassen.”
Bron: Rukiye Gönüllü
De meest nobele Boodschapper (v.z.m.h) van ALLAH verkondigde zijn profeetschap, presenteerde een Goddelijke leidraad zoals de Quran van Machtige Status en toonde openlijk ongeveer duizend mirakelen volgens onderzoekers. Dat deze mirakelen in hun geheel hebben plaatsgevonden, is zo zeker als zijn verkondiging van profeetschap. De Betekenisvolle Quran verkondigt op veel plaatsen dat zelfs de koppigste heidenen zijn mirakelen niet konden ontkennen, dat zij zijn mirakelen tovenarij noemden bewijzen dit. Alleen om henzelf dwalend te houden of om hun volgers te misleiden noemden ze het – God verhoede – tovenarij.
Voorzeker, het plaatsvinden van de mirakelen van de profeet Mohammed (v.z.m.h) is zo zeker als honderd authentieke overleveringen. Een mirakel is een bevestiging van zijn beweringen door de Schepper van de kosmos, het dient als de uitspraak: “hij spreekt de waarheid”. Net zoals wanneer jij in het territorium en onder toezicht van een sultan zegt: “de sultan heeft mij zo en zo een taak gegeven”. Wanneer er bewijs van je gevraagd wordt en hoe de woorden “het klopt” van de sultan jou bewering bevestigen, zo ook zullen gewoontes en verschijningen die omwille van jouw wensen worden veranderd door de sultan, op een veel zekere en duidelijkere manier dan de woorden “het klopt” jouw bewering bevestigen.
Zo ook heeft de nobele boodschapper verkondigd: “Ik ben een gezondene van de Schepper van dit universum”. En mijn bewijs is dit: met mijn gebeden en verzoeken zal Hij Zijn constante gewoontes doen veranderen. Zie maar: observeer mijn vingers, zoals een vijf kranige bron stroomt er water uit. Observeer de maan, met het wijzen van mijn vinger ernaar splijt het in twee. Observeer die boom, om mij te bevestigen komt het naar mij toe en legt getuigenis af. Observeer dit gerecht, hoewel het genoeg is voor twee of drie man, vult het de magen van tweehonderd of driehonderd man.
Zo toonde hij honderden mirakelen. Nu zijn bewijzen van zijn waarheidsgetrouwheid en tekenen van zijn profeetschap niet alleen gebonden aan deze mirakelen. Misschien, bewijzen voor de oplettende mensen al zijn manieren van doen en daden, gedrag en woorden, karakter en manieren, verschijning en uiterlijk zijn waarheidsgetrouwheid en serieusheid. Zelfs hebben bekenden, zoals de geleerde onder de Kinderen van Israel: Abdullah bin Selem die alleen door het zien van zijn gezicht en na het zeggen van: “in zo’n verschijning bevindt zich geen dwaling, in dit gezicht schuilt geen leugen” zich bekeerd.
Echter zijn er, al zeggen geleerden dat er tot duizend tekenen van zijn profeetschap en mirakelen zijn, duizenden, misschien honderdduizenden tekenen van zijn profeetschap. En op honderdduizenden verschillende wijzen, door honderdduizenden verschillend denkende mensen wordt zijn profeetschap bevestigd. De Betekenisvolle Quran toont behalve dat het op veertig wijzen een wonder is, duizend bewijzen van de profeetschap van Mohammed (v.z.m.h).
En aangezien er profeetschap bestaat onder de mensheid, en honderdduizend personen die profeetschap verkondigden en mirakelen toonden zijn gekomen en gegaan, is de zekerheid van het profeetschap van Mohammed (v.z.m.h) groter dan het geheel. Want de bewijzen, eigenschappen, situaties en manier van handelen jegens volgelingen, die tekenen van profeetschap zijn en boodschappers zoals Isa en Musa (v.z.m.h) profeet laten noemen, zijn bij de nobele profeet Mohammed (v.z.m.h) op een veel volmaaktere en bredere wijze aanwezig.
Aangezien het doel en reden van profeetschap volmaakter in de persoon van Mohammed (v.z.m.h) te vinden is, was deze bevoegdheid met meer zekerheid in hem te vinden dan bij alle andere profeten.
Koesay, de vierde voorvader van de profeet, wiens ware naam Zeyd is, was de eerst geborene van de twee zonen van Kilab. Uit de twee gebroeders was hij degene die geëerd werd met het licht van de laatste profeet welk hem vanaf Adem werd overgedragen. Omdat hij de oudste van de twee was, werd hem een leiderschapstaak binnen het gezin gegeven. De opmerkelijke vaardigheden van Koesay trokken de aandacht van zijn omgeving en in zijn volwassen jaren, werd hij één van de vooraanstaande figuren binnen de gemeenschap. Vanwege zijn buitengewone regelingen, beheer en rechtvaardige beslissingen verkreeg hij in een korte periode veel aanzien binnen het volk. Hierdoor werd hij aangewezen als leider van Mekka. Hij was degene die er voor zorgde dat de eerste wijken in Mekka kwamen, waardoor elke stam een eigen buurt kreeg. De belangrijkste kwesties werden in zijn huis besproken en behandeld. Hij was verantwoordelijk gesteld voor voorname taken, zoals het onderhoud van het doek van de Kaba, het verwelkomen van pelgrims, het hijsen van hun vlag tijdens strijd en het voeren van beleid in Mekka. Het eerste huis tegenover de Kaba met de deur naar haar gericht, werd voor hem gebouwd.
Koesay werd onuitzonderlijk door iedereen geliefd en gerespecteerd. Het licht dat hij droeg van de meest Geliefde, maakte hem bij iedereen het meest geliefd. Naarmate hij ouder werd, gaf hij zijn oudste zoon Abdoeddâr steeds meer verantwoordelijkheidstaken binnen het gezin en zei: “Mijn geliefde zoon, ik wijs jou als leider aan van deze stam.”
Abdoeddâr beschikte echter niet over de vaardigheden om deze grootse taak uit te kunnen voeren. Ook heeft hij zijn vader nooit waardig weten te vervangen, want het licht glansde niet op zijn voorhoofd, maar op dat van zijn kleine broertje: Abd-i Menaf, die vader werd van vier zonen: Hâshim, Abdoeshems, Moettalib en Newfel.
Omdat het grootste gedeelte van de mensheid, het grootste gedeelte van hun tijd, afhankelijk zijn van het grootste gedeelte van de Sharia wetten. Net zoals persoonlijke verplichtingen binnen de Islam (Fardi-Ayn), hebben ze betrekking op elk individu. Maar mirakelen echter, niet iedereen heeft behoefte aan elk mirakel. Al is er behoefte, één maal waarnemen is genoeg. Net zoals een verplichting die door bepaalde personen of een persoon kan worden verricht waardoor overigen er niet meer verantwoordelijk voor zijn (Fardi-Kifaye), is het kennen van mirakelen door een bepaalde groep mensen vol
Dus hierdoor, zijn er mirakelen die op een veel zekere wijze plaatsgevonden hebben dan Sharia wetten, overgeleverd vanuit één of twee bronnen, en Sharia wetten overgeleverd vanuit tien of twintig bronnen.[qtip:1| Bediuzzaman Said Nursi, De Negentiende Brief, Het Derde Fundament]
[1] Bediuzzaman Said Nursi, De Negentiende Brief, Het Derde Fundament
Wanneer je met Bismillah (in de naan van Allah) begint, is dat het reciteren van Allah. Gedurende het eten aan Allah denken, is dat de gedenking van Allah. Aan het eind met Elhamdulillah (Alle lof aan Allah) eindigen, is dankbetuiging. Wanneer men voldoende heeft gegeten, behoort hij op te staan voor hij zijn lusten stilt. Wanneer hij dit niet doet, zal hij iemand zijn die zijn lichaam nooit van ellende kan verlossen. Het vers dat verbiedt te verspillen, waarschuwt hier ook over:
“…eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de verkwisters zeker niet lief.” [qtip:(1)| Qoran, 7:31]
Ook heeft Ibni Sina (Avi Cenna) gezegd dat de Profeet (v.z.m.h.) heeft gezegd: “Vul de maag niet totdat zijn lust gestild is, eet weinig; wacht na het eten vier tot vijf uur, genezing zit hem in de vertering, en gezondheid zit hem in het geduld!”; dit laat zien hoe we gezond kunnen zijn. Ook heeft de Profeet (v.z.m.h.) het volgende gezegd:
“Er is geen slechtere deur dan de maag van de mens. Om zijn rug recht te houden, zijn een paar happen genoeg. Als hij toch meer wilt, maak dan een derde van je maag vrij voor het eten en een derde voor het drinken; laat de rest van je maag vrij om makkelijk te kunnen ademen!” [qtip:(2)| [Ahmed (4/132); Tirmizî (2381); İbn Mace (3349)] ]
Wat aan tafel niet vermeden hoort te worden, zijn als volgt:
1- Wanneer niet iedereen aan tafel zat, niet beginnen met eten,
2- Er op passen dat men van het deel voor zich nuttigt,
3- De hap hoort klein te zijn en met de mond dicht gegeten te worden,
4- Hij hoort niet naar de hap van de ander te kijken,
5- Wanneer het eten warm is, hoort hij hier niet op te blazen,
6- Hij hoort niet voor iedereen van tafel te gaan en behoort te wachten totdat iedereen genoeg heeft gegeten,
7- Als hij van een glas drinkt, behoort hij niet hier een deel van te drinken en de rest laten wachten. [qtip:(3)| Bostan’ul Arifin, Ebu’l Leys Semerkandi]
Al concluderend: Wie aan tafel met recitering zit, verder gaat met het gedenken van Allah en met dankbetuiging afsluit, en zijn eten volgens de Soennah nuttigt, zal voor zijn ziel een verlichting (Nuhr) en voor zijn lichaam gezondheid zijn. [qtip:(4)| Ahmet Sahin]
Op een dag vroeg onze Profeet (sav) aan zijn Ashab (de Sahabi’s);
“Degenen tegen wie ik onrecht aangedaan zou kunnen hebben, verzoek ik om hun recht nu van mij te verhalen en niet over te laten aan het hiernamaals”
Nadat hij deze vraag drie keer had herhaald, stond een oude sahabe genaamd Ukkase (r.a.) op en zei dat de stok van RasoelAllah (v.z.m.h.) hem op zijn rug had geraakt tijdens een oorlog. Daarop liet RasoelAllah (v.z.m.h.) een stok brengen en riep Ukkase (r.a.) bij hem om zijn recht te halen. Hasan en Huseyin (r.a.) die dit allemaal vol verbazing hebben zitten aanzien, wilden dat Ukkase (r.a.) zijn recht op hen zou verhalen en drongen daarop aan; ze moesten zelfs huilen.
Echter RasoelAllah (v.z.m.h.) kwam naar voren, draaide zijn rug om en zei “neem jouw recht op mij”.
Ukkase (r.a.) zei; RasoelAllah (v.z.m.h.) mijn bovenlijf was ontbloot toen uw stok mij raakte. RasoelAllah (v.z.m.h.) trok meteen zijn hemd uit, waarop sommigen van de sahabi’s zich niet meer in konden houden en begonnen te huilen.
Ukkase (r.a.) liep naar onze Profeet (v.z.m.h.) en kuste hem op zijn rug en zei vervolgens; “mogen mijn vader en moeder opgeofferd worden voor jou RasoelAllah, wie ben ik om recht te verhalen bij jou!” De Profeet (v.z.m.h.) drong erop aan dat hij toezei geen recht op hem te verhalen, waarop Ukkase (r.a.) zeer verlegen daarentegen wilde dat de Profeet (v.z.m.h.) hem onder zijn hoede zou nemen in het hiernamaals. RasoelAllah (v.z.m.h.) zei als laatst; “wie mijn vriend in de hemel wilt zien, moet naar deze oude man kijken”.
Huseyin (r.a.) is de kleinzoon van onze Profeet (v.z.m.h.). Hij is de tweede zoon van Fatima (r.a.) en Ali (r.a.). hij is in de vierde jaar van de hidjrat in de maand Shaban geboren. Deze naam heeft hij van onze Profeet (v.z.m.h.) gekregen.
Toen Huseyin (r.a.) werd geboren, kwam de engel Djebrail naar onze Profeet (v.z.m.h.) en zei: “Ow Mohammed! Jouw God doet jou de groeten. Geef jouw zoon de naam van Haroen’s naam.” Onze Profeet (v.z.m.h.) vroeg: “ow Djebrail! Wat is de naam van Haroen’s zoon?” Djebrail antwoordde: “Shebir”. De Profeet (v.z.m.h.) zei daarop weer: “Mijn taal is Arabisch”. Djebrail zei daarop: “Gebruik dan de naam Huseyin, die in het Arabisch dezelfde betekenis heeft”.
Huseyin (r.a.) leek heel erg op onze Profeet (v.z.m.h.). Ali (r.a.) heeft het volgende gezegd: Hasan (r.a.) leek op onze Profeet (v.z.m.h.) van zijn borst tot zijn voorhoofd, Huseyin (r.a.) leek op Hem (v.z.m.h.) van zijn borst tot helemaal naar beneden.”
Onze Profeet (v.z.m.h.) hield zeer veel van Hasan en Huseyin (r.a.). Over hen zei Hij (v.z.m.h.):
“Allah! Ik hou van hen. Hou ook van hen.”
“Hasan en Huseyin zijn mijn twee bloemen op aarde waarover ik waak.”
“Hij die van Hasan en Huseyin houdt, houdt ook van mij, hij die hen haat, haat ook mij”.
Hâshim, de tweede voorvader van de Uitverkorene was een handelaar en stond bekend om zijn vrijgevigheid. Doordat de komst van de ware eigenaar van het licht naderde, schitterde het steeds stralender op het voorhoofd van de overdrager. Hij beschikte over vele bijzondere vaardigheden.
Tijdens een jaar van schaarste was er in Mekka geen brood meer te vinden. Hâshim arriveerde uit Damascus met een speciaal soort meel waar hij sneeuwwitte broodjes van liet maken. Vervolgens liet hij vele kamelen en schapen slachten en gaf van het brood, vlees en bouillon een groot feestmaal aan heel het volk van Mekka.
Vanwege zijn uitblinkende bekwaamheid, eerbied, liefde, vrijgevigheid en zijn verheven karakter dat door iedereen werd geliefd en gewaardeerd, werden zijn nakomelingen tot aan Mohammed, de Hâshimi genoemd.
Hâshim had vier zonen: Sheybe (Abdoelmuttalib), Esed, Eboe Sayfî en Nadle.[qtip:1| Tabakat, 1/75-80] Zijn nakomelingen werden voortgezet door Sheybe en Esed. Sheybe was de opa van de laatste boodschapper. Esed was de oom van de moeder van Imam Ali.
[1] Tabakat, 1/75-80
Met ons beperkte verstand zijn we niet in staat om de volledige wijsheden hierachter te bevatten. Echter gaan wij drie mogelijke wijsheden beschrijven.
De eerste wijsheid.
Het ontvangen van de eerste openbaring was zeer zwaar voor de profeet. Hij had tijd nodig om alles te verwerken en te laten bezinken. Hierdoor kreeg hij een uitstel, zodat zijn mentale staat klaar was voor nieuwe openbaringen.
De tweede wijsheid.
De laatste profeet en grootste voorbeeld der mensheid werd er op voorbereid om met de grootste druk om te gaan.
De derde wijsheid.
Hij kreeg een korte tussenpoos, opdat zijn verlangen naar nieuwe openbaringen zijn hoogtepunt zou bereiken.
Na een onderbreking van 40 dagen was hij weer gereed om de volgende openbaringen te ontvangen. De wijze waarop hij de openbaringen verkreeg, werd in zijn woorden als volgt uitgedrukt:
“Op een dag tijdens een wandeling vernam ik uit het niets een stem uit de hemel. Toen ik mijn hoofd hief en keek, zag ik de engel die tot mij kwam in de grot Hira zitten op een troon die zich bevond tussen de hemel en aarde. Uit angst zakte ik neer op de grond. Ik keerde naar huis en zei “bedek mij!”. Hierop openbaarde ALLAH de volgende verzen aan mij:
O bedekte!
Verrijs en attendeer.
En verkondig de glorie van jouw Heer
En reinig jouw kledij.
En vermijd afgoderij.
Hierna werden verzen mij onophoudelijk geopenbaard.”
In de Koran staat het volgende over de vrijdag:
“O, gij die gelooft! Wanneer op Vrijdag de oproep tot het gebed is uitgezonden, haast u dan Allah gedachtig te zijn en verlaat de handel. Dit is beter voor u indien gij het weet.” [qtip:(1)|Koran, 62:9]
Het woord “zikr” dat in dit vers voorkomt, is of de [qtip:hoetba|vrijdagtoespraak] of de hoetba samen met het gebed. Hoetba is hiermee ook verplicht bij het vrijdaggebed en als er geen hoetba wordt gehouden, dan is het vrijdaggebed niet geldig. [qtip:(2)|Molla Hüsrev, Dürerü'l Hukkâm, İstanbul 1307, 1, 138] De Islamitische gemeenschap is het hierover eens, want sinds de tijd van onze Profeet (v.z.m.h.) heeft het vrijdaggebed ten alle tijden samen met de hoetba plaatsgevonden.
De hoetba heeft binnen de vrijdag en vrijdaggebed een uitzonderlijke plek. Er is zelfs overgeleverd dat Aisha (r.a.) heeft gezegd dat het vrijdaggebed enkel wegens de hoetba twee rakaat is. De hoetba heeft bepaalde voorwaarden en een passende vorm. Dit is vastgesteld met de soennah, daarom is het goed te weten hoe onze Profeet (v.z.m.h.) dit heeft gedaan.
Volgens de overleveringen werd de Profeet (v.z.m.h.) zenuwachtig, werden Zijn ogen rood, Zijn stem verhief, en alsof hij tot een leger sprak, gaf hij met een hoge en harde stem de nabijheid van de Laatste Dag aan en dat deze zeker zal uitbreken. Na “Emma ba’doe” zei Hij “het beste van het woord, is Allah’s boek; het beste pad, is het pad van de Profeet (v.z.m.h.); de slechtste daden zijn de verzinselen die aan het geloof zijn toegevoegd en iedere bid’at (vernieuwing in het geloof), is een dwaling”. Ook zei Hij “Ik ben dichterbij iedere moslim dan hijzelf. Wie overlijdt en schuld en kinderen achterlaat die verzorgd moeten worden, dan valt dit onder mij, is dit mijn schuld.”
Hij begon zijn hoetba met lof aan Allah en getuigen dat Allah één is, en zei dingen die op het bovenstaande leek. De hoetba hield Hij (v.z.m.h.) kort, het gebed lang, gedacht Allah veel en gebruikte weinig woorden met diepe betekenissen. Hij zei: “Dat men’s hoetba kort, gebed lang is, is een teken van zijn religieuze begrip”.
Tijdens de hoetba doceerde hij de waarheden van de Islam, als het nodig was, beval hij hen een aantal dingen wel en een aantal dingen niet te doen. Wanneer iemand tijdens de hoetba wat vroeg, dan onderbrak Hij (v.z.m.h.) Zijn hoetba, gaf antwoord op de vraag en ging weer met zijn hoetba verder.
Volgens Ibn Hisham was de eerste hoetba van de Profeet (v.z.m.h.) als volgt:
“Na Zijn lof: Ow mensen! Bereid jezelf voor. Voorzeker, jullie weten dat een ieder van jullie op een onverwacht moment zal overlijden, zijn kudde zonder een herder zal achterlaten, en daarna zal zijn Heer, zonder dat er een gordijn of een vertolker zal zijn, het volgende tegen hem zeggen: “Heeft jouw Rasoel jou het geloof niet verteld? Heb Ik jou geen goederen gegeven en hiermee het mooie/goede gedaan? Wat heb jijzelf hiervoor voorbereid?”
“De aanbidder zal recht en links kijken, maar niks zien. Hij zal daarna naar voren kijken, en de hel zien. Wie zelfs met een halve dadel zichzelf van dit vuur kan redden, laat hem dit dan doen. Wie dit niet kan doen, laat hem mooie dingen zeggen. Want met deze reden zal een goede daad tot zevenhonderd keer vermenigvuldig worden en zal hij hiermee beloond worden. Moge Allah’s vrede, barmhartigheid en zegening op jullie zijn.”
Volgens Ibn Hisham is de Profeet’s tweede hoetba als volgt:
“Na lof aan Allah: “Het mooiste woord, is het boek van Allah. Wie Allah’s boek hoger houdt dan de andere menselijke woorden, die (de Koran) zijn ziel siert en van ontkenning tot de Islam leidt, is gered. Hij is het mooiste en hoogste woord. Houd waar Allah van houdt, houd van Allah met al jullie hart. Krijg geen genoegen van Allah’s boek en het gedenken van Hem; laat jullie zielen hier geen genoeg van krijgen. Want dit is gekozen en gezeefd uit alles wat Allah heeft geschapen. Allah heeft hem “de gekozen daad”, de personen die deze aanbidding doen “de gekozen aanbidder” en tussen zijn woorden “het beste woord” genaamd.”
“In wat aan de mens is gegeven, zit ook het toegestane en het verbodene. Aanbid Allah en aanbid niemand anders. Respecteer hem op de ultieme manier. Van de goede dingen die jullie met jullie mond zeggen, houd je hieraan voor Allah, heb middels de Goddelijke ziel onderling liefde; houd van elkaar, Allah haat het wanneer een belofte tot Hem wordt verbroken. Moge Allah’s vrede op jullie zijn.”
Toen onze Profeet (vzmh) 35 jaar oud was, ontstonden er problemen in Mekka. Het belangrijkste gebouw van Mekka, stond op instorten. De Kaba was al jaren niet gerenoveerd. Ze had door de jaren heen veel schade opgelopen en omdat zij geen plafond had, liep ze optimale schade op gedurende hevige regenstormen. Vooral de laatste storm had de Kaba enorm geschaad. Ook was haar doek totaal afgebrand door de vonken van een vuur dat werd aangestoken door een vrouw in de buurt van de Kaba. De barsten van haar muren waren dusdanig geworden, een persoon kon er gewoon doorheen kruipen. Toen een dief hier gebruik van maakte en er waardevolle spullen uit stal, besloten de Mekkanen uiteindelijk om de Kaba te renoveren.
Terwijl de Quraishieten bijeenkomsten hielden om te bepalen hoe de renovatie van start moest gaan, strandde er een Romeins schip aan in Djiddeh. Het schip was volgeladen met ijzer, hout, pilaren en allerlei soorten bouwmaterialen. Dit was precies wat de Mekkanen nodig hadden, dus kochten ze meteen alle benodigdheden van hen over.
Eén van de passagiers van dat schip bleek een Romeinse metselaar te zijn. De Quraishieten maakten ook meteen een afspraak met de metselaar voor de bouw van de Kaba.
De renovatie van de Kaba was een heilige taak en uiteraard wilde elke stam van de Quraish geëerd worden met het deel uit maken van haar vernieuwing. De bouwtaken werden onderling verdeeld en elke stam kreeg een gedeelte aangewezen waar die verantwoordelijk voor was.
Voordat men kon beginnen met bouwen, moest er echter eerst gesloopt worden en niemand had het lef om het heilige huis te vernielen, al was het voor renovatie. Ze waren bang dat een ramp hen zou treffen als ze de Kaba zouden verwoesten.
Welied bin Moegire sprong opeens naar voren en maakte duidelijk dat het heilige huis toch gesloopt moest worden voordat ze haar konden renoveren. Iemand moest de eerste stap zetten, dus besloot hij om diegene te zijn. Voordat hij de eerste slag leverde, zei de dappere man:
“O ALLAH, wij hebben niets voor behalve goeds met onze handeling.”
Met zijn hamer in zijn hand hief hij zijn arm met respect en gaf de eerste slag. Die dag durfde niemand zich te mengen met de sloop, dus was hij de enige die eraan begon. De rest zou een dag afwachten of er een ramp hen zou treffen. Als dit niet het geval zou zijn, zouden zij ook beginnen met de sloop, in de hoop dat ALLAH er tevreden over is. Als er alsnog iets zou gebeuren, zouden zij er onmiddellijk mee stoppen en nooit meer een renovatie in hun hoofd halen.
Een dag was verstreken en er was hen niets overkomen. ALLAH was dus tevreden met hun doel; alle stammen begonnen te helpen met de sloop voor de renovatie. Na een gedurende tijd, kwamen ze aan bij de grondslag van het gebouw die door de profeet Ibrahim gebouwd was. Toen één onder hen ook die probeerde te slopen en er een slag op gaf, getuigde iedereen van een heftige beving in Mekka. De Mekkanen begrepen dat ALLAH verdere sloop niet toe stond, want de Kaba hoorde op de fundamenten van Ibrahim gebouwd te worden.
De stammen begonnen met de bouw en al snel was het tijd om “Hadjeroe’l Eswed” ofwel “de Zwarte Steen” op zijn plaats te zetten om vervolgens verder te bouwen. De Zwarte Steen was een hemelse steen die door de engel Djibriel was neer gezonden naar Ibrahim. Ibrahim plaatste die steen op een bepaalde plek toen hij met zijn zoon het heilige huis bouwde en sindsdien maakte die deel uit van de Kaba. Elke stam achtte slechts zichzelf waardig genoeg om die steen op zijn plek te plaatsen. Hierdoor ontstond er een ernstige onenigheid. Deze onenigheid escaleerde zich, zelfs zo erg dat op een bepaald moment de stammen naar hun zwaarden grepen omdat ze gereed waren om bloed te vergieten voor deze verheven taak. Geen stam wilde deze eer afstaan aan een andere. De steen hadden ze op het Eboe Koebeys gebergte geplaatst om deze na de onenigheid op zijn plek te zetten.
Dagen verstreken vanwege deze onenigheid. De bouw was stopgezet. Er moest snel een uitweg worden gevonden, want strijd kon elk moment uitbarsten. De stammen verzamelden zich bij de Kaba voor een definitieve oplossing. Op een meest geladen moment, stond Hoezeyfe bin Moegire, bekend als Eboe Oemeyye, op en stelde het volgende voor:
“O Quraishieten! Laat degene die verschijnt vanuit de Sheybe poort tegenover ons jullie rechter zijn, opdat hij deze kwestie oplost."[qtip:1| Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146; Tabari, Tarih, V. 2, p. 201]
Het onverwachte voorstel van Eboe Oemeyye werd zonder tegenspraak door iedereen aanvaard. Degene die vanuit de Benî Sheybe poort zou verschijnen, zou het lot van de Zwarte Steen bepalen. Alle blikken waren naar de poort gericht. Vol spanning wachtte het volk op degene die hen zou verlossen van het grote conflict waarin ze zich verkeerden. Het viel doodstil toen vernomen werd dat er iemand aan kwam lopen. Iedereen hield zijn adem in en wachtte met open ogen op degene die verschijnen zou. De verschijning van degene die langzaamaan verscheen, werd meteen door iedereen herkend. Er was er maar één wiens uitstraling zo uitblonk, dat hij vanuit de verste verte met gemak te herkennen was. Het enige wat van het volk vernomen kon worden, was:
“Het is de vertrouwde! De waarheidsgetrouwe! Het is Mohammed!"[qtip:2| Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146]
Er bevond zich geen onder hen die niet blij was met zijn verschijning, want iedereen wist dat hij nooit met een oordeel zou komen waar iemand ontevreden over zou zijn. De Quraishieten waren verzekerd met een rechtvaardige beslissing, immers was die afkomstig van Mohammed.
Ze vertelden de Trooster wat voorafgegaan was en nadat ze werden uitgehoord, zei de Rechtvaardigste der rechters:
“Breng mij een kleed.”
Mohammed spreidde het kleed dat hem gebracht werd uit over de grond.[qtip:3| Zie: Balazuri, Ansab, V. 1, p. 99] Men wachtte gespannen af naar wat hij zou doen. Hij pakte de Zwarte Steen en plaatste die in het midden van het kleed. Vervolgens beval hij:
“Laat een elk van iedere stam een uiteinde van dit kleed vastpakken.”
Een aangewezen persoon van elke stam pakte een uiteinde van het kleed vast. Allen konden nu de heilige steen optillen en dragen naar de plek waar die hoorde. Eenmaal aangekomen bij die plek, gingen de gezegende handen van Mohammed naar die steen om die op zijn positie te plaatsen. Door dit oordeel werd iedere stam geëerd met het plaatsen van de Zwarte Steen en werd er een bloedige confrontatie vermeden.[qtip:4| Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146; Tabari, Tarih, V. 2, p. 201] Hier werd wederom duidelijk dat het inzichtvermogen en gave voor het oplossen van problemen van Mohammed, met geen te vergelijken was; ongeacht zijn leeftijd en levenservaring, was er geen oudere of wijzere man aanwezig die een dergelijke oplossing kon bedenken.
[1] Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146; Tabari, Tarih, V. 2, p. 201
[2] Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146
[3] Zie: Balazuri, Ansab, V. 1, p. 99
[4] Ibn Hisham, Sirah, V. 1, p. 209; Ibn Sa’d, Tabaqat, V. 1, p. 146; Tabari, Tarih, V. 2, p. 201
Als de Hadith en de toepassing van de Profeet (v.z.m.h.) voor ogen worden gehouden, dan worden de fundamenten, voorwaarden en soennah van een hoetba duidelijk:
Het fundament van de hoetba is het gedenken van Allah. Hoetba bestaat uit twee onderdelen: Het eerste deel is de toespraak en het geven van advies aan de Moslims, en het tweede deel is het smeekgebed voor de Moslims. In beide wordt Allah bedankt, wordt er getuigd dat er enkel één Allah is, wordt er getuigd dat Mohammed (v.z.m.h.) een profeet is en wordt er voor Hem salawaat gedaan. Volgens de Hanefi-leerschool wordt over het vers “Hij is het Die onder de ongeletterden een boodschapper heeft verwekt die Zijn tekenen onder hen verkondigt en hen zuivert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst, ofschoon zij voorheen in openbare dwaling verkeerden.” [qtıp:(1)|Koran, 69:2] dat dit vers zowel het gebed als de hoetba omvat.
Hij hoort binnen het tijdskader te zijn. Voóó het verplichte gebed, behoort de hoetba aan de mensen voorgelezen te worden, al is dit één persoon. De hoetba en het gebed mogen niet onderbroken worden door iets anders. [qtip:(2)|Molla Hüsrev, Düreru'l-Hukkâm, İstanbul 1307, 1, 138; İbn Abidin, Reddül-Muhtar, Terc A. Davutoğlu, İst, 1983111, 304 vd]
De imam hoort voor hij begint met de hoetba, zich te keren naar de opstap. Nadat hij op de opstap staat, behoort hij zich naar de mensen toe te keren, en behoort vervolgens naar de oproep te luisteren. Nadat de oproep is gedaan, behoort hij de beide hoetba’s staand te houden.
De eerste hoetba zal hij beginnen met “El hamdoe lillah”. Daarna behoort hij de shahada te doen en salaat en salaam naar de Profeet te doen. Daarna behoort hij de moslims advies en preek te geven die nuttig voor dit leven en het hiernamaals zijn. Daarna behoort hij smeekbeden te verrichten, zodat zij van de onderdrukking van de ongelovigen worden gered.
Na “Bismillah” te hebben gezegd, leest hij een vers uit de Koran op. Hij moet de hoetba in tweeën delen en tussen deze twee een korte zitpauze nemen.
De tweede hoetba wordt op dezelfde manier als de eerste hoetba begonnen. In de tweede hoetba doet hij voor de moslims smeekbeden met daarin vraag naar kennis, gezondheid en overwinning in de strijd. Beide hoetba’s behoren kort gehouden te worden. In de tweede hoetba zal er zachter moeten worden gepraat. De hoetba’s behoren wel dusdanig duidelijk gelezen te worden, dat iedereen het kan verstaan. De mensen zullen dan enkel naar de hoetba moeten luisteren en verder met niets bezig zijn.
Tijdens de hoetba praten, of van de pratende persoon vragen stil te zijn of bidden, is makroeh (schadelijk). De personen die bij de hoetba aanwezig zijn en links en rechts kijken, is ook makroeh. [qtip:(3)|el-Fetâvâ'l Hindiyye, Beyrut, 1400,1,146, 147]
Imam Abu Dawud (r.h.) kende 500.000 hadith uit zijn hoofd. Hiervan heeft hij 4.800 hadith geselecteerd en gevormd tot het welbekende boek “Soenan-i Ebi Dawud”.
Dit boek is zeer waardevol, in het bijzonder voor de jurisprudentie binnen de Islam. Abu Dawud heeft dit boek aan Imam Abu Hanefi laten zien, en deze grote geleerde vond dit een zeer mooi boek. Dit boek wordt ook wel het derde boek van het “Koetoeboe Sitta” gezien.
Abu Dawud heeft het volgende gezegd: Ik heb in dit boek van mij 4.800 hadith verzameld. Voor het geloof van de mens zijn deze 4 hadith voldoende:
Toen de Boodschapper van Allah de leeftijd van veertig jaar had bereikt, kende Allah de Almachtige hem de profeetschap toe met deze vers:
“Lees! In de naam van jouw Heer, Die (alles) heeft geschapen."1
In de eerste dagen na de aankondiging van zijn profeetschap verzamelde de Boodschapper van Allah de mensen van de Quraish-stam2 bij de rots van een heuvel en vroeg:
“O gemeenschap van Quraish! Als ik jullie zou vertellen dat zich aan de rand van deze berg of in die vallei zich een vijandelijk leger ophoudt, dat op het punt staat om jullie aan te vallen en jullie bezittingen in beslag te nemen, zouden jullie mij dan geloven?” Zonder te aarzelen antwoordden zij: “Ja, wij zouden jou geloven, want jij hebt ons altijd de waarheid verteld. We hebben jou nog nooit horen liegen!”3
Hierop verkondigde de Boodschapper van Allah dat hij een profeet is, gestuurd door Allah. Geëmotioneerd riep hij de mensen op om in zijn woorden te geloven en een goed leven te leiden in overeenkomst met de geboden van Allah. Hij vertelde ook dat de ongelovigen een pijnlijke bestraffing te wachten staat. Hij verduidelijkte hun dat het noodzakelijk was om zich tijdens dit wereldse leven voor te bereiden op het eeuwige leven. Hij kwam er echter al snel achter dat het erg moeilijk zou zijn om het volk zich af te laten keren van hun verkeerde geloofsovertuigingen. De boodschapper van Allah liet vanaf die dag geen moment onbenut om zijn mensen uit te nodigen tot de waarheid, ongeacht hun afkeer en hun tegenwerking.
Hij ging van deur tot deur, hij bezocht de pelgrims en de markten en hij trachtte mensen uit te nodigen tot het rechte pad bij iedere gelegenheid die zich voordeed. Hij wist niet van opgeven en hij liet zich niet kennen door moeilijke situaties. Hij vertelde hen steeds opnieuw dezelfde waarheden, zelfs aan de mensen die zich op de meeste vijandige wijze gedroegen. Hij maakte ze duidelijk dat hij de islam alleen omwille van Allah verspreidde.
“Zeg (O Mohammed): “Ik vraag hier geen beloning voor van jullie, noch behoor ik tot de degenen die wat verzinnen.”4
De Boodschapper van Allah was analfabeet. Zoals vele mensen in zijn tijd kon hij niet lezen of schrijven. Het was dus voor hem niet mogelijk om geschreven teksten van anderen over te nemen of boeken te lezen om vervolgens de inhoud daarvan aan mensen te verkondigen. Voor een analfabete persoon is het alleen mogelijk om zulke belangrijke informatie te verkondigen indien deze hem via openbaringen zijn gegeven. Zelfs zijn vijanden in die tijd waren op de hoogte van zijn ongeletterdheid en erkenden de uniekheid van zijn boodschap. Allah zegt in de Koran:
“En daarvόόr heb jij nooit een boek gelezen, noch heb je iets ervan met je rechterhand geschreven. Zou dat het geval zijn geweest, dan zouden de volgelingen van de leugen getwijfeld hebben.”5
De afgodenaanbidders waardeerden de moraal van profeet Mohammed en waren ervan overtuigd dat hij geen leugens verkondigde. Echter waren zij niet bereid om hun onrechtmatig verkregen wereldse belangen en hun lichamelijke begeertes op te offeren. Op een dag kwam de boodschapper van Allah, Abu Jahl (aartsvijand van de profeet) en zijn naaste vrienden tegen. Zij zeiden:
“O Mohammed! Bij Allah, wij maken jou niet uit voor een leugenaar, jij bent volgens ons een zeer waarheidlievend persoon. Echter, wij ontkennen de verzen waarmee jij aankomt."6
De afgodenaanbidders probeerden alles om de profeet over te halen om met zijn missie te stoppen. Zij benaderden de profeet met de meest aantrekkelijke voorstellen. Zo beloofden ze om hem te bekronen tot koning en om van hem de rijkste man onder hen te maken en hem te laten trouwen met de prachtigste vrouwen van Quraish-stam. Echter realiseerden de afgodenaanbidders zich dat zij niet tot een compromis konden komen met de boodschapper van Allah. Hij was vastberaden en trouw aan Allah. Hierdoor richtten zij zich op vijandige handelingen.
Met de dag namen de onderdrukkingen en martelingen toe tegenover de moslims. De afgodenaanbidders verbraken alle relaties met de moslims en met hun beschermers.
In de dagen erna bekeerden een groep mensen uit Medina zich tot de islam. Deze mensen begonnen in Medina met het prediken van de islam en vroegen profeet Mohammed om iemand te sturen die in het bezit was van zijn kennis. Zijn metgezel Musab ibn Umạyr werd aangewezen voor deze taak en na een korte tijd was er geen huis meer in Medina te vinden waar de islam niet was binnengetreden. Nadien nodigden zij de boodschapper van Allah uit om naar Medina te komen en beloofden ze dat ze hem zouden beschermen.
(We raden iedereen aan om het leven van profeet Mohammed te lezen.)
------------------------------------------------------------------------------------
1.De Heilige Koran, Al-Alaq (De Bloedklonter) 96/1.
2.Een eervolle stam, bestaande uit verschillende onderling verwante clans in Mekka.
3.Hadith, Buhari Tafsir 26/2.
4.De Heilige Koran, Sad (de Arabische Letter Sad) 38/86.
5.De Heilige Koran, Al-Ankabut (De Spin) 29/48.
6.Hadith, Tirmizi, Tafsir 6/3064.
Allereerst moeten we elke eeuw onderzoeken en evalueren volgens de waarden, gebruiken en acceptaties van die eeuw. Als we 1400 jaar geleden zouden evalueren naar de waarden, gebruiken en acceptaties van onze eeuw, dan zouden we de grootste fout hebben gemaakt. Het is een onmisbare voorwaarde voor ons om een eeuw te onderzoeken waarin meer huwelijken op jonge leeftijd een gewoonte is en door iedereen wordt geaccepteerd te analyseren met een inlevingsvermogen van die tijd en niet van deze eeuw.
De overleveringen over dat de vrouw van de profeet Mohammed (vrede zij met hem), Aisha op haar 9-jarige leeftijd is getrouwd heeft een opinie teweeggebracht over haar leeftijd van trouwen. We moeten ook niet vergeten dat bij het tot stand komen van deze opinie in acht genomen moet worden dat het huwelijksleeftijd van de mensen in die tijd relatief jong was en dat de geografische ligging een invloed heeft op de snellere fysieke ontwikkeling. Om die reden is het onderwerp tot een zeer korte tijd terug nooit ter sprake gekomen en bediscussieerd.
Wanneer we spreken over vandaag de dag dan zien we dat er mensen zijn die de context van die tijd totaal niet in acht nemen en de islam van buitenaf benaderen vanuit hun eigen visie en begrip het onderwerp benaderen en bekritiseren. Deze aparte houding is in de islamitische wereld niet heel anders; een gedeelte houdt zich ontoegeeflijk vast aan het benaderen van het onderwerp op dezelfde manier terwijl een ander gedeelte aangeeft dat de leeftijd van Aisha ouder en volwassener was.
Om antwoorden te verkrijgen op deze vragen dienen we uiteraard allereerst door de levensvisie en gewoontes van de mensen uit die tijd te bekijken en het onderwerp vanuit bewijzen te onderzoeken.
Om op 9 jarige leeftijd te kunnen trouwen zou Aisha geboren moeten zijn in het jaar 615 of 616 en dit is echter onmogelijk. Dit gaan we bewijzen met een paar voorbeelden:
1. Onze moeder Aisha vertelt over de periode van Mekka het volgende:
Toen ik een spelend kind was ontving1 profeet Mohammed het vers:
“Nee, maar het uur is hun aangewezen tijd, en het uur zal verschrikkelijk en bitter zijn.”2
Deze informatie vertelt ons meer over de leeftijd van Aisha. Want volgens een overlevering zou de bovenstaande versregel (Al-Qamar, 54/46) neergedaald zijn tijdens het 4e jaar van de profeetschap, aldus in het jaar 614.3
Onze profeet ontving de profeetschap in het jaar 610. Hij heeft in 13 jaar tijd zijn taken voltooid in Mekka en is vervolgens geëmigreerd naar Medina (622-623). Hij is getrouwd met Aisha in het 2de jaar van de emigratie (624-625). We kunnen uitgaan dat Aisha minstens 7 of 8 jaar oud was toen het vers neerdaalde omdat Aisha in het jaar 614 zich het vers herinnerde en dat ze dus geboren is vòòr het jaar 610 wat aangeeft dat Aisha minstens 17 jaar was bij het voltrekken van het huwelijk met de profeet.
2. We zien dat Aisha en haar zus Asma behoren tot degenen die worden benoemd als één van de eersten der moslims na aanvang van de profeetschap. De allereersten wier de islam aanvaardden tussen 610 en 611 zijn onder andere Osman ibn Affan, Zubayr ibn Awwam, Abdurrahman ibn Awf, … .Voor het jaar 614 traden Asma en Aisha tot de islam.4
Dit toont dus aan dat Aisha voor het jaar 610 geboren is.
3. Dat Aisha op de leeftijd van een volwassene was toen ze trouwde kunnen we zeer zeker concluderen vanuit de biografie dat is geschreven over haar zus Asma. In oude biografie boeken wordt het volgende vermeld wanneer zij Asma beschrijven:5
“Asma is op 100 jarige leeftijd overleden in het jaar 73 na de hidjra (de migratie van de profeet van Mekka naar Medina in 622-623). Tijdens de hidjra was ze 27 jaar oud. Aangezien Aisha 10 jaar jonger was dan haar zus was ze tijdens de hidjra ongeveer 17 jaar oud.’’
4. Bij Arabieren werden de leeftijden van de meisjes berekend op basis van hun leeftijd na de menstruatie.6 Als we weten dat een meisje ten vroegste op een 9 jarige leeftijd ongesteld wordt en onze moeder Aisha zei dat ze op 9 jarige leeftijd is getrouwd, zou Aisha volgens de berekening ongeveer 18 jaar moeten zijn.
5. In Medina waren er in grote getallen hypocrieten (munafikoon) aanwezig en deze hypocrieten waren dag en nacht ijverig opzoek naar de fouten van de Heilige Profeet.
Wanneer ze iets zagen wat volgens hen een tekortkoming is gingen ze de kwestie meteen vergroten en op een overdreven manier overbrengen om de gedachten van de gelovigen in de war te brengen.
Het feit dat geen enkele ongelovige dit huwelijk heeft bekritiseerd , toont aan dat de leeftijd van onze moeder Aisha zelfs door de ongelovigen van die tijd geaccepteerd werd.
Samenvattend is het duidelijk dat onze moeder Aisha de titel van “Moeder van de gelovigen’’ kreeg toegekend omwille van het huwelijk met de profeet op de leeftijd van 17-18 jaar.
-----------------------------------------------------------------------
1.Buhârî, Fezâilü’l-Kur’ân 6, Tefsîru Sûre.
2.De Heilige Koran, Qamar (de maan) 54/46.
3.Suyûtî, İtkân, Beyrut, 1987, 1/29, 50.
4.İbn Hişâm, Sîre, 1/271; İbn İshâk, Sîre, Konya, 1981, 124.
5.Dit onderwerp wordt gedetailleerd beschreven in het boek ‘Asr-i saadet’ van Mawlana Shiblî.
6.Musa Carullah, Hatun, 81, Kitabiyat Yay. Trc. Mehmet Görmez.
Profeet Mohammed (vrede zij met hem) was en is het grootste voorbeeld voor de mensheid. Hij was de meest barmhartige, de meest rechtvaardige, de meest geliefde en de meest gewaardeerde persoon onder de mensen. Hij werd ook wel ‘Mohammed Al-Amin’ genoemd, dat ‘Mohammed de meest betrouwbare’ betekent. Hij was zo eerlijk en betrouwbaar dat zelfs zijn vijanden hun kostbare eigendommen aan hem toevertrouwden.
“En voorwaar, jij beschikt zeker over een geweldig karakter.”1
“Er is een goed voorbeeld voor jou in de Boodschapper van Allah.”2
Met deze vers worden gelovigen aangemoedigd en aanbevolen om de profeet als voorbeeld te volgen op alle gebieden van hun leven. Want met zijn persoonlijkheid, levensstijl, karakter en manieren is hij het perfecte rolmodel voor ons.
Zoals geweten, heeft elke profeet zijn volk goed gedrag en goede manieren aangeleerd volgens het model dat Allah tevreden zou stellen. Echter werd profeet Mohammed gestuurd om dit model te vervolledigen.
“Ik werd gestuurd om de zedelijkheid te vervolledigen.”3
Alle mooiheden die verteld worden in de Koran kan men terugvinden in de persoonlijkheid van de geliefde profeet. Wanneer zijn metgezellen meer wilden weten over zijn persoonlijkheid en karakter antwoordde zijn vrouw Aisha: “Heb je de koran niet gelezen? De moraal van de Boodschapper van Allah was de koran.”4
Alle mensen kunnen voor zichzelf voorbeelden vinden in de moraal van profeet Mohammed om naar toe te streven ongeacht hun kleur, religie, afkomst en beroepsklasse. Naast talloze mooiheden en deugden die wij kunnen uithalen van zijn leven, kunnen we ook oneindig veel lessen leren die betrekking hebben op verschillende vlakken in het leven zoals ons welzijn, ons beroep en ons plaats in de samenleving.
In tijden waarin slaven niet als mens beschouwd werden, zei de profeet over de slaven:
“Deel jullie eigen eten en kleding met hen. Beschouw hen als je eigen familie.”5
De volgende overlevering is van metgezel Jabir bin Abdullah: ‘’Een begrafenisstoet passeerde ons voorbij en de profeet stond op en ook wij stonden op. We zeiden: “O Allah’s Boodschapper! Dit is de begrafenisstoet van een Jood.’’ Hij zei: "Wanneer u een begrafenisstoet ziet, moet u opstaan. Zij is toch ook een mens."6
Dit zijn slechts twee voorbeelden die het geweldige karakter van de profeet tonen. Hij was eerlijk, lief en behandelde iedereen met respect, zelfs zijn vijanden. Niemand heeft hem ooit horen liegen of kwaadspreken. Hij kende rechten toe aan slaven en hij misbruikte zijn macht niet. Kortom, iedereen kan onze geliefde profeet als een goed voorbeeld voor zichzelf nemen onder welke omstandigheden hij dan ook leeft. Hij leerde de mens toen al normen en waarden die de wereld op dit moment hard nodig heeft. Politicus en spirituele leider Ghandi heeft de profeet op deze manier geprezen:
"Ik zou het leven willen kennen van degene die vandaag onbetwistbaar de harten van miljoenen mensen ontroerd. Ik ben er van overtuigd dat het niet het zwaard was dat diende als middel om te overtuigen de islam als godsdienst aan te nemen. De grote bescheidenheid, het altruïsme7 van profeet Mohammed, zijn betrouwbaarheid, zijn intense toewijding aan zijn vrienden, zijn moed, zijn absolute vertrouwen in Allah en zijn eigen missie waren één voor één eigenschappen die voldoening brachten in de harten. Deze kenmerken lieten hem toe de hindernissen, conflicten en problemen tot een goed einde te brengen."8
--------------------------------------------------------------
1.De Heilige Koran, Al-Qalam (De Pen) 68/4.
2.De Heilige Koran, Al-Ahzâb (De Partijen) ( 33/21.
3.Hadith, Imam Malik, Muwatta, Husnü'l Halk, 8; Moesned, 2/381.
4.Hadith, Muslim 1/514 no: 746.
5.Hadith, Buhari, Geloof 22; Muslim, Eyman 40.
6.Hadith, Sahih Al-Buhari, Al-Janaa'iz (De Begrafenis), 78/1593.
7.Gedrag of levenshouding waarbij je mensen helpt zonder eigenbelang.
8.Boek “Young India” (1924) – Mahatma Ghandi.
We kunnen gerust zeggen dat ook de schoonheid van profeet Mohammed uniek was. Net zoals zijn karakter was hij fysiek ook volmaakt. Dit buitengewoon innerlijk en uiterlijk van de profeet is ook een mooi voorbeeld voor zijn onvergelijkelijke profeetschap. Tussen de profeten is profeet Yusuf (Jozef) befaamd voor zijn fysieke schoonheid1, maar profeet Mohammed (vrede zij met hem) zal de enige volkomen schoonheid blijven.
Van de vrienden van profeet Mohammed leren we dat hij de mooiste was in die tijd. Bera bin Azib vertelt: “Ik heb nog nooit in mijn leven zo een mooi iemand als onze profeet Mohammed gezien. Zijn haar groeide tot zijn schouders. Hij was niet kort maar ook niet lang.”2
Zelfs Ebu Jahl, die de profeet als zijn grootste vijand zag, gaf meermaals toe dat zijn schoonheid niet ontkent kon worden. De joodse geleerde Abdoullah ibni Selam, bekeerde meteen ter plaatse tot de islam wanneer hij de profeet voor de eerste keer zag. Hij bekende dat deze schoonheid enkel tot een profeet kon toebehoren.3
--------------------------------------
1.Hadith, Sunen-I Tirmizi.
2.Hadith, Sunen-i Tirmizi.
3.Ibn-i Sa’d Tabakat, I/235; ibn-i Abdi’l-Berr, istiab, III/922; Said Nursî Mektubat s.92.
Profeet Mohammed (vrede zij met hem) leefde 1400 jaar geleden, maar heeft tot en met de dag van vandaag in grote mate invloed op het dagelijkse leven van een moslim. De profeet heeft ons adviezen en richtlijnen gegeven over alles wat we doen vanaf het moment dat we wakker worden, tot het moment dat we gaan slapen. Hierbij kan je denken aan de manier waarop iemand zich aan en uitkleedt, de manier waarop iemand eet en drinkt, de manier waarop iemand spreekt en luistert, de manier waarop iemand zelfs toiletteert. Voor elk onderwerp heeft de profeet Mohammed een advies of richtlijn gegeven en is hiermee een groot voorbeeld.
Moslims doen dit aan de hand van de Hadith, dit zijn overleveringen van het leven van de profeet. De Hadith zijn grote verzamelingen van wat hij heeft gezegd, heeft gedaan en goed- of afgekeurd heeft. Door middel van deze overleveringen kennen wij de soenna (de weg van de profeet). De soenna van de profeet Mohammed speelt dus naast de Koran een grote rol in het leven van een moslim.
Laten we dit beter begrijpen aan de hand van een voorbeeld:
In de Koran staat de verplichting dat men dient te bidden, echter staat de wijze waarop wij dit behoren te doen er niet op. Dit staat beschreven in de soenna van de profeet Mohammed. De soenna is hierbij een aanvulling en uitleg op de Koran.
De profeet Mohammed heeft dus in grote mate invloed op het dagelijkse leven van een moslim en wordt door zijn levensstijl, karakter, persoonlijkheid en manieren geliefd door wereldwijd miljarden mensen.
Beste broeder/zuster,
Het huwelijksverzoek van de Profeet (vzmh) aan Aisha (r.a.) was 10 jaar na het begin van de Vahy, oftewel de openbaring. Aisha was vijf of zes jaar voor het begin van de openbaring geboren. Toen Aisha (r.a.) minstens 17-18 jaar oud was, trouwde zij met de Profeet (vzmh). [qtip:(1)| Mevlana Shibli “Profeet Mohammad”]
Wanneer we de biografie van Esma (r.a.), de oudere zus van Aisha (r.a.), bekijken, is het eenvoudiger vast te stellen hoe oud Aisha (r.a.) toen was. Esma (r.a.) was tijdens de Hijara 27 jaar oud. Aisha (r.a.) was 10 jaar jonger dan Esma (r.a.). Hierbij kunnen we concluderen dat Aisha (r.a.) tijdens de Hijara minstens 17 jaar oud was en dat zij na de Hidjra met onze Profeet (vzmh) trouwde.
Voordat Aisha (r.a.) met onze Profeet (vzmh) trouwde, was zij verloofd met Coebeyr bin Mut'im. Dit toont ook nog eens aan dat zij haar huwelijksleeftijd had bereikt toen zij met onze Profeet (vzmh) trouwde. [qtip:(2)| Hatemoe'l Anbiya Hz. Mohammed en zijn leven, Ali H. Berki, Osman K., p. 210]