FAQ in the category of Het Leven

1 Waarom is rechts zo belangrijk binnen de Islam?

Allah (c.c.) heeft zowel de rechter als de linker ledematen van de mens geschapen. Wat betreft de schepping is er geen verschil tussen rechts en links. Maar de Islam heeft voor ons dagelijkse leven richtlijnen opgesteld en schrijft voor dat het beter is om in tegenstelling tot de duivel, rechts te gebruiken. Want de duivel gebruikt altijd zijn linkerhand en begint ook van links.

Hieronder geven we een aantal Hadith over dit onderwerp:

“Eet en drink met je rechterhand, geef en neem met je rechterhand; want de duivel eet en drinkt met zijn linkerhand, geeft en neemt met zijn linkerhand.” [qtip:(1)| Ibni Mace]

“Begin bij het aandoen van je schoenen met rechts en bij het uitdoen met links.” [qtip:(2)| Buhari]

De Islam is een geloof van fatsoen en discipline. Het gebruik van rechts en links moet vanuit dit discipline gezien worden. We kunnen het als volgt verduidelijken: De term ‘rechts’ is een symbool van goede en mooie dingen en de term links is een symbool van slechte en lelijke dingen. Bijvoorbeeld:

- De macht van Allah wordt uitgedrukt met rechts en niet met links.

In het hiernamaals krijgt een slecht persoon zijn boek waarin al zijn/haar daden staan in de linkerhand, maar een goed persoon krijgt het in de rechterhand. In de Koran staat hierover het volgende:

“En hij, aan wie zijn boek in de rechter hand wordt gegeven, zal zeggen: "Komt, leest mijn boek. Voorzeker, ik wist dat ik mijn afrekening tegemoet moest gaan." Deze zal dan een heerlijk leven krijgen. In een verheven tuin, waarvan het fruit gemakkelijk bereikbaar zal zijn.” [qtip:(3)| Al-Haaqqah, 69/19-23]

“Maar, hij wiens boek in de linker hand wordt gegeven, zal zeggen: "O was mijn boek mij maar niet gegeven! En had ik maar niet geweten wat mijn oordeel was! O, had de dood maar aan mij een einde gemaakt!” [qtip:(4)| Al-Haaqqah, 69/25-27]

- De engel die de taak heeft om alle goede daden van iemand op te schrijven, bevindt zich op de rechter schouder. En de engel die de taak heeft om alle slechte daden van iemand op te schrijven, bevindt zich op de linker schouder.

- Als we een mooie plek als een moskee binnentreden, stappen we naar binnen met onze rechtervoet. En een vieze plek, zoals het toilet, stappen we binnen met onze linkervoet.

- Zo is het gebruiken van de rechterhand bij het eten en de linkerhand bij het wassen na een toiletbezoek ook in overeenstemming met dit algemene principes.

2 Is het verplicht om besneden te worden?

De besnijdenis wordt niet vermeld in de Koran, maar het is wel aanwezig in de Sunnah/Hadith van de Profeet Mohammed (v.z.m.h.)

Uit de betrouwbare Hadith bronnen van Boekhari en Moeslim is te lezen dat Profeet Ibrahim op zijn tachtigste leeftijd is besneden [qtip:(1)| Zie. Neylu’l-evtar, 1/111]

In de Islam wordt gezegd dat de besnijdenis van menselijke aard is. Ook de Profeten voor Profeet Mohammed (v.z.m.h.) hadden het principe om besneden te worden.

Volgens de Hanefi en Maliki leerscholen is de besnijdenis soennah.
Volgens de Shafii en Hanbeli leerscholen is de besnijdenis Wajib(vereist)/Fardh(verplicht), want dit is een symbool van de Islam en een openlijk teken dat je moslim bent [qtip:(2)| Zie. V. Zuhaylî, el-Fıkhu’l-İslamî, 1/306-7, 310]

Een openlijk kenmerk van de Islam is de besnijdenis. Om deze reden, ook al vallen deze kennerken/symbolen onder de categorie Soennah, zijn ze net zo belangrijk als de Fardh(verplichte handelingen). Om deze reden moeten de standpunten van de geleerden, dat de besnijdenis een Soennah is, in deze context worden beoordeeld. Het Islamitische volk heeft gedurende het leven naar dit onderwerp vanuit dit standpunt gekeken.

In de Islam zijn er zove Fardh(geboden) en Haram(verbodens) die niet in de uiteenzettingen van de Koran plaats vinden, maar wel in de Hadith van Profeet Mohammed (v.z.m.h.) voorkomen. Bijvoorbeeld het aantal rak’ahs en bepaalde andere voorwaarden van het gebed en de belangrijke voorwaarden van het Vasten, de Bedevaart en de zakaat(aalmoes), worden niet vermeld in de Koran, maar wel in de Hadith van Profeet Mohammed (v.z.m.h). Om de wijsheid over dit onderwerp te begrijpen, moet een persoon in bezit zijn van hoge kennis over de “basis principes”. Uit de desbetreffende bronnen kan dit geleerd worden.

Er moet niet vergeten worden dat “Hadith” een tweede wetgevende bron is in de Islam. In de Koran staat het volgende vers vermeld:

“En wat de boodschapper u ook moge geven, neemt het en wat Hij u ook verbiedt, onthoudt u daarvan” [qtip:(3)| Al-Hasjr, 59/7]

Dit vers is voor de Islamitische geleerden een onfeilbare leidraad geweest dat de Hadith een wetgevend bron is.

3 Waarom is vrijdag (Al-Djum’a) een heilige dag binnen de Islam?

De reden waarom deze dag de naam Djum’a heeft gekregen, is omdat hij een dag is waarop moslims bijeenkomen. Vanuit het vers

O gij die gelooft, wanneer er wordt opgeroepen tot de salat op de Dag der Bijeenkomst (Al-Djuma), spoedt u dan tot Gods gedenking en laat af van de koophandel“ [qtip:(1)| Soera Al-Djum’a, 62/9]

in de soera die ook de naam Djum’a draagt, zien we dat deze dag ook als Djum’a werd herdacht nog voordat het vrijdaggebed verplicht was en ook laat dit vers zien dat deze dag een dag van de bijeenkomst is.

Vanuit verschillende hadiths is te begrijpen dat de Djum’a eerder was aangesteld en benoemd als een wekelijkse eredienst voor Joden en Christenen, maar zij hebben over dit onderwerp meningsverschil gehad, waarop de Joden zaterdag en de Christenen zondag als hun wekelijkse bijeenkomstdag en dienst hebben aangenomen. Hierop heeft Allah Djum’a de moslims gegund en heeft hen doen slagen om hierover (dag van Djum’a) de waarheid te bereiken.[qtip:(2)| Sahih Muslim, Djum’a, 19-23] Dus binnen de Islam is vrijdag als een gezamenlijk gebedsdag gekozen en in vele overleveringen is vermeld dat deze dag een feestdag is.[qtip:(3)| Beyhaki, es-Sünenü’l Kübra, 3/243; Ibn Qayyim Al-Jawziyya, Zadul-Mesir, 1/369]

Vrijdag en het vrijdaggebed is één van de grootste tekenen en symbolen uitsluitend bedoeld voor de Islam. De moslims die bijeenkomen voor het hoogtepunt van de Hadj op de vlakte van Arafat -de dag vóór het offerfeest op de dag van Arafat- is de grootste jaarlijkse bijeenkomst van moslims over de hele wereld. Hiernaast is het ramadanfeest, het offerfeest en de Djum’a dagen waarop moslims in grote hoeveelheden bij elkaar komen voor het gezamenlijk gebed. Met name dat het vrijdaggebed wekelijks herhaald wordt, draagt grote belang dat de moslims wekelijks de vreugde van een feest samen kunnen ervaren.

“De beste dag waarop de zon opgekomen is, is de vrijdag. Op die dag is Adam geschapen, op die dag werd hij het Paradijs binnengelaten en op die dag moest hij het Paradijs verlaten. En het Laatste Uur zal enkel op een vrijdag aanbreken” [qtip:(4)| Sahih-i Muslim]

4 is valentijn halal of haram?

valentijnsdagBeste Broeder/ Zuster,

Valentijnsdag, nieuwjaarsdag, vakantie, vermaak, festival en soortgelijke gewoontes zijn de culturen van bepaalde volkeren.

Één van de vijf fundamentele doelen van de Islam is het geloof beschermen. Een gedrag dat de bescherming van de Islam schaadt -bv. cultuursverandering- kan als gevolg hebben dat men afstand neemt van de Islam en zelfs zover gaat dat men onbewust de islam verlaat.

Toen ons Profeet (v.z.m.h) naar Medina emigreerde, kwam Hij (v.z.m.h.) erachter dat er in Medina twee soorten feestdagen waren die uitbundig gevierd werden. Omdat feestdagen belangrijke culturele componenten voor religieuze beinvloedingen zijn, heeft de Profeet (v.z.m.h.) deze twee feestdagen veranderd in de Ramadan en het Offerfeest. Tevens zien we in vele hadiths dat het verboden is verklaard voor moslims om de gewoontes na te doen die verband hebben met andere religies of daarmee samenhangende symbolische waarden bevatten.

Zonder dat men als doel heeft om op niet-moslims te lijken, is het niet bezwaarlijk als men een cadeau wil kopen voor zijn vrouw buiten dagen zoals valentijnsdag, kerstdag, nieuwjaar en andere niet islamitische feestdagen.

Het is tevens geen zonde om een ceremonie of een bijeenkomst te organiseren voor je verjaardag of je trouwdag. Een zonde zou alleen van je gedrag en houdingen tijdens zulke bijeenkomsten voort kunnen komen.

Als mensen bij elkaar komen en datgene eten wat Halal is, een praatje maken binnen het toegestane, nadenken dat er weer een “levensblad” is gevallen, det er weer een jaar voorbij is gegaan, nuttige gesprekken voeren, zichzelf vermaken zonder hierbij tot het verbodene te betreden, dan is het vieren van zo een trouwdag of verjaardag geen zonde. Echter als men hierdoor het verbodene betreedt en blootgesteld wordt aan zondes, veel verspilt en verkwist, met vermaak, eten en drinken een slecht voorbeeld vormt, dan is niet de dag zelf zondig, maar de slechte daden die gepleegd worden tijdens zulke dagen.

5 Hoe bekeerde Sa’d ibni Ebi Waqqas zich tot de Islam?

De zeventienjarige jongeman die van moederskant familie was van de meest Geliefde had een droom gezien. Hij was omringd door duisternis toen plotseling de volle maan opkwam wier licht een pad zichtbaar maakte welke hij vervolgens volgde. Op die pad, zag hij dat Eboe Bekr, Zeyd en Ali voor hem uitliepen. Hij haastte zich naar hen toe vroeg:

“Wanneer zijn jullie hier gekomen?”

Zij antwoordden:

“Nog maar net.”[qtip:1| Ibni Esîr, Usdu'l-Gâbe: 2/292]

Drie dagen na deze droom, trof hij Eboe Bekr. Nadat hij door hem werd ingelicht over de Islam, bezochten ze de profeet. Mohammed onderwees hem over het geloof en verzocht hem moslim te worden. Sa’d betrad daarop de laatste ware religie.[qtip:2| Ibni Hisâm, Sîre: 1/266; Ibni Sa'd; Tabakât: 3/139; Taberî, Tarih: 2/216]

De moeder van de jonge moslim raakte zeer ontstemd door de bekering van haar zoon. Echter wist zij heel goed hoe verbonden Sa’d was met haar. Ze dacht hierdoor misbruik te kunnen maken van deze band en riep hem op een dag bij zich en vroeg hem het volgende:

“Ben jij niet degene die zei dat ALLAH beveelt goed te handelen jegens naasten en verwanten?”

Toen Sa’d haar bewering bevestigde, zei ze vervolgens:

“Bij ALLAH, zolang jij niet loochent wat Mohammed beweert, zal ik geen voedsel of water nuttigen tot ik sterf. Jij zult daardoor vernederd worden door het volk als moedermoordenaar.”

De jongeman trok zich niet veel aan van de woorden van zijn moeder. Normaliter deed hij alles wat zijn moeder hem opdroeg, maar haar wens was ditmaal te belachelijk om uit te voeren. Zij was echter koppig en hield zich aan haar woord. De eerste dag ging zonder voedsel en drinken voorbij voor zijn moeder en Sa’d zag dat haar toestand al achteruit begon te gaan. Hij bleef haar negeren en zag dat zij de tweede dag weer niets at of dronk. Haar staat ging snel bergafwaarts, waardoor Sa’d zijn geduld verloor en haar wilde verduidelijken hoe de situatie er voorzat. Nadat ALLAH zijn hart domineerde, kon zijn moeder de sluwste plannen uitvoeren, ze zou zijn standvastigheid nimmer kunnen schaden. Aan de ene kant stond de boodschapper van de Schepper van de hemel, aarde en alles wat zich ertussen bevindt en aan de andere kant stond zijn moeder. Een keuze maken tussen de twee was dan ook niet moeilijk voor een metgezel die tot één van de tien behoorde die het paradijs beloofd werd terwijl hij nog leefde. Hij benarde haar en zei:

“Lieve moeder, al had je honderd levens en zou je elk ervan offeren voor mijn bekering, nog zou ik mijn geloof niet verlaten. De keus is nu aan jou, eet of verhonger.”[qtip:3| Ibn Hacer, Isâbe, 2/31; Halebi, Insanü'l-Uyun, 1/280]

De kracht van geloof overtrof nogmaals de macht van ongeloof, want zijn moeder verbrak haar koppigheid en begon weer te eten en drinken nadat ze de overtuigingskracht van haar zoon eindelijk doorzag. Na deze gebeurtenis werden ook de volgende Qur’anverzen geopenbaard:

“En Wij bevolen de mens goed te zijn voor diens ouders, maar wanneer zij jou dwingen tot toekenning van deelgenoten aan Mij, gehoorzaam hen dan niet.”[qtip:4| Soerah al-Ankaboet, 8]

Vanaf zijn jeugd, heeft zijn leven slechts in dienst gestaan voor de Islam.




[1] Ibni Esîr, Usdu'l-Gâbe: 2/292

[2] Ibni Hisâm, Sîre: 1/266; Ibni Sa'd; Tabakât: 3/139; Taberî, Tarih: 2/216

[3] Ibn Hacer, Isâbe, 2/31; Halebi, Insanü'l-Uyun, 1/280

[4] Soerah al-Ankaboet, 8.

6 Welke adviezen heeft Erzurumlu Ibrahim Hakki gegeven?
- Om bij de juiste mensen te horen, behoor je je geloof te versterken, je gebeden op tijd te bidden, de wil van je ego opzij te zetten, de kenmerken kennen en van Allah houden. 
- Je liefde voor de wereld is schadelijk. Je liefde tot de Ukba (eeuwige) smelt weg. Je liefde tot Allah is zowel schoon als prachtig. 
- Het hart van een onbehoedzame is verbonden met de wereld. Het hart van een vrome is verbonden met het eeuwige. 
- Het hart van een kenner is verbonden met Allah. Het hart is een hele goede vriend. Laat je hart met Allah, en je lichaam met het volk zijn. 
- Ow vriend. De tong is de weegschaal van een mens. Er zijn drie dingen die het probleem altijd naar zich toe trekken: een gesprek dat niet serieus, een grap of onzin is. Roddelen over een vriend, is een schande. 
- Grappen maken is een ramp dat de grootse uitstraling breekt. Schuldgevoel is een ramp dat gulheid breekt. Wanneer je praat,spreek de waarheid; kom je belofte na; mooi spreken en hardop groeten, is van de mooie Soennah. 
- Zachtaardig spreken en veel groeten, laat je de liefde van mensen winnen. 
- Ow vriend! De beste manier van het gedenken van Allah, is in stilte en met een vredig hart " La ilahe illallah" zeggen en harhalen. Gedenken van Allah is het licht van het hart, het geluk van de ziel. Het gedenken van Allah is een genot voor het lichaam, kracht voor de ziel. 
- Het glinster van het oog, is het licht van het geheim.  De gewoonte van een kenner, is het gedenken van Allah en alles behalve Hem vergeten. Het gedenken van Allah is een schoonheid voor het pure, een licht voor het verstand. 
- De gewoonte van een tong, is wat er door het hart heengaat. Hij die Allah citeert, zal Allah ook citeren. 
(Diyanet, 2014)

7 De Shāfiʿītische school en haar stichter: Imam al-Shafiʿī

Imam Muhammed ibn Idrīs al-Shāfiʿī (150/767-204/820) is geboren in Gaza, en gestorven in het oude Caïro. Hij stamde af van de Hāshimī familie van de Quraysh stam, waartoe de Profeet eveneens had behoord. Hij gaf enige tijd les in Bagdad en later in Egypte.

Als kind was hij zeer intelligent en schrander, altijd geïnteresseerd in traditionele islamitische wetenschappen. Zijn vader stierf toen hij zeer jong was en hij werd door zijn moeder in een arm gezin grootgebracht. Omdat zij dacht dat zijn familieleden haar konden helpen om hem een goed moslim te maken, nam ze hem mee naar Mekka, waar Muhammed een groot deel van zijn tijd temidden van de bedoeïenen doorbracht, terwijl hij ondertussen Arabisch leerde en zich een grote kennis van Arabische poëzie eigen maakte.[qtip:1| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 141-8; Mawsū’ah al-Adyān al-Muyassarah (Beiroet: Dar al-Nafā’is, 2002), p. 310; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, pp. 68-69; al-Zuhaylī, al-Fiqh al-Islamī, vol. I, pp. 49-52]

Hij studeerde islamitische rechtswetenschap bij de bekende wetenschappers Muslim ibn Khalid al-Nanji, de moefti van Mekka (796) en Sufyan ibn ‘Uyaynah (796). Op twintigjarige leeftijd ging hij naar Medina en verbleef daar als een van Imam Māliks studenten, tot de dood van laatstgenoemde in 796. Hij bracht in totaal negen jaren met Mālik door, waarin hij alles leerde wat Mālik hem had aan te bieden. Hij kwam ook in contact met andere wetenschappers, waarvan hij meer kennis van de Koran en van de Soenna verkreeg. Imam al-Shāfiʿī bezat een zeer scherp geheugen en kende de gehele Muwatta’ van Imam Mālik uit zijn hoofd.[qtip:2| Ibn Khallikān, Wafayāt al-Aʿyān, vol. IV, pp. 21-5; Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 296-99; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-201]

Het verwerven van kennis van de wetenschappers in Medina betekende slechts het begin voor al-Shāfiʿī, omdat hij lange tijd heeft gereisd tussen de voornaamste steden met een wetenschappelijke reputatie in die tijd. In 187/804 bezocht hij Syrië en van daaruit vertrok hij naar Egypte, waar hij zich vestigde. Als student van Imam Mālik werd hij met groot eerbetoon en respect door de mensen en door de wetenschappers van Egypte ontvangen. In 193/810 bezocht hij Bagdad, waar hij ontvangen werd door een groep studenten die er verlangend naar uitzag om kennis te bemachtigen omtrent het geloof en om de Islam van hem te leren praktiseren: één van hen was (de toekomstige imam) Ahmed ibn Hanbal.

Twee wetscholen of madhāhib worden in feite toegeschreven aan al-Shāfiʿī, die zijn geschriften en zijn wettelijke opvattigen (fatāwā) bevatten. Juristen verwijzen naar deze twee scholen via de woorden “de oude” (al-qadīm) en “de nieuwe” (al-jadīd), respectievelijk overeenkomend met zijn verblijf in Irak en in Egypte. De prominente studenten van de nieuwe school, die zijn opvattingen doorgaven, waren al-Buwaytī, al-Muzanī, al-Rabiʿ, al-Muradi en al-Bulqinī, via het boek Kitāb al-Umm (“het moederboek”). De prominente studenten van de oude school die zijn opvattingen doorgaven waren Ahmed ibn Hanbal, al-Karabisi, al-Zaʿfarani en Abū Thawr, in Kitāb al-Hujja (“het boek van het bewijs”). De teksten die heden ten dage de positie van al-Shāfiʿī bepalen hebben betrekking op de nieuwe school, met uitzondering van waarschijnlijk tweeëntwintig vraagstukken ten aanzien waarvan de Shāfiʿītische geleerden en moefti’s de posities van de oude school hebben behouden. [qtip:3| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.148]

De islamitische geleerden beschouwen al-Shāfiʿī als de verdediger bij uitstek van de hadīths, hoewel dit gezichtspunt voor de onpartijdige criticus niet erg gefundeerd lijkt, als daarmee wordt geïmpliceerd dat hij in het geheel geen gebruik van ra’y heeft gemaakt. In feite betrof het verschil tussen Abū Hanīfa en al-Shāfiʿī meer een kwestie van schijn dan van realiteit. Al-Shāfiʿī heeft openlijk de wettelijkheid van het gebruik van qiyās bevestigd, en zijn methode van het bepalen van de “effectieve” oorzaken ten behoeve van qiyās was minder strak dan die van Abū Hanīfa. Het is waar dat al-Shāfiʿī bezwaar maakte tegen het principe van istihsān zoals geïntroduceerd door Abū Hanīfa, doch hijzelf introduceerde het principe van istishāb dat, vergezeld van de grotere handelingsvrijheid die zijn lossere methode ten aanzien van qiyās toestond, een even doelmatig middel bleek te zijn om een persoonlijke opinie te introduceren als Abū Hanīfa’s istihsān. Dit is alleen waar als een theoretisch uitgangspunt, omdat wel degelijk vermeld dient te worden dat in de praktijk al-Shāfiʿī de geest van de hadīths geloofwaardiger in stand hield en deze op grotere schaal gebruikte. Het is gemakkelijk om te begrijpen waarom dat zo was, indien we ons voor ogen houden dat al-Shāfiʿī in Mekka en in Medina bij Mālik, de kampioen van de hadīthaanhangers, fiqh studeerde. Imam al-Shāfiʿī’s diepgaande studies met Imam Mālik maakten hem tot een expert ten aanzien van de Mālikītische wetschool, maar in Bagdad kreeg hij opnieuw gelegenheid om de Hanafītische wetschool terdege te doorgronden. Hij woonde met Hanafītische juristen en discussieerde over diverse wettelijke aangelegen met hen, daarbij de positie van zijn meester Imam Mālik verdedigend. Hij verwierf zich een reputatie als groot vasthouder aan hadīths.[qtip:4| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.  148-51; Doi, Sharī‛ah: Islamic Law, pp. 157-60]

Het volgende citaat uit de Risālah kan deze tendens helder illustreren: “God heeft het na de dood van de Profeet aan niemand gegeven (toegestaan) om meningen te verkondigen, behalve op basis van kennis (ʿilm) die tot hem kwam, en zulke kennis bestaat in het Boek, de Soenna, de ijmāʿ, en de uitspraken en de handelingen (āthār) van de metgezellen, en vervolgens, zoals ik heb uitgelegd, in qiyās op basis van het voorgaande, en het is niemand toegestaan om qiyās te gebruiken tot hij heeft geleerd wat voor hem is geschied in de zin van praktijken (sunan) en de uitspraken van de voorgangers, en de ijmā’s en verschillen tussen mensen onderling en eveneens binnen de Arabische taal."[qtip:5| Muhammed ibn Idris al-Shāfiʿī, al-Risālah, ed. Ahmed Muhammad Shakir (Beiroet: al-Maktabah al-Ilmiyyah, d.n.), pp. 39-42, 596-600; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-208; Aghnides, Islamic Theories of Finance, pp. 142-45; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 299-304]

Al-Shāfiʿī was buitengewoon intelligent, en hij kende geen gelijke in zijn overvloedige verdiensten en zijn roemrijke kwaliteiten. Aan zijn kennis van alle wetenschappen die verband houden met het boek van God, de Soenna, de uitspraken van de metgezellen, hun geschiedenis, de conflicterende opvattingen tussen de geleerden, voegde hij een diepe kennis toe met betrekking tot de taal van de Arabieren van de woestijn, filologie (taalkunde), grammatica en poëzie. 

Van Ahmed Ibn Hanbal, een van al-Shāfiʿī’s volgelingen, is het volgende citaat: “Al-Shāfiʿī is voor de mensheid geweest wat de zon is voor de wereld en de gezondheid voor het lichaam: wie kan hem vervangen?”

In tegenstelling tot Abū Hanīfa, die van denkbeeldige speculaties hield, had al-Shāfiʿī veeleer een aversie tegen subtiele onderscheidingen en was hij daarin vermoedelijk niet erg bedreven. Daarom leunde hij vooral op onthulde bronnen, tenminste wanneer hij daarin de gewenste voorzieningen aantrof. De volgende verzen die werden samengesteld door al-Shāfiʿī geven dit weer: “Hoe meer de ervaring mij instrueert, hoe sterker zie ik de zwakheid van mijn redenering; en hoe meer ik mijn kennis vermeerder, hoe sterker ik de omvang van mijn onwetendheid besef.”

Kortom, al-Shāfiʿī was een ruimdenkend persoon, die op het toneel verscheen toen de wetboeken al waren gerangschikt tot uitgewerkte systemen, en de wetten waren uitgezocht en opgetekend waren op een degelijke en gevestigde manier. Hij bestudeerde de scholen van de voorlopers en leerde van de meest vooraanstaande juristen; hij discussieerde met de meest bekwame en de meest ontwikkelde wetenschappers en onderzocht hun leerstellingen, en ontwikkelde later, op die basis, een methode die het Boek, de Soenna, de ijmāʿ en de qiyās bijeenbracht. Op die manier heeft hij zich niet beperkt tot een van deze bronnen, zoals sommigen dat wel hebben gedaan.

Het algemeen erkende doel van al-Shāfiʿī was om fiqh en de traditie met elkaar te verzoenen, en voor de betrokkenen leek hij daarin te zijn geslaagd (jamāʿa bayn al-fiqh wa al-sunnah). Dit verklaart waarom er zich een snelle verandering binnen zijn school plaatsvond, toen al-Shāfiʿī Bagdad tot zijn verblijfsplaats verkoos. Onder de prominente volgelingen van al-Shāfiʿī bevonden zich Ahmed ibn Hanbal, Rabiʿ ibn Sulayman al-Muradi (880), Abū Yaʿqūb al-Buwaytī (845), Abū Ibrāhīm ibn Yahyā al-Muzanī (877), Abū al-Thawr, al-Zaʿfarāni en al-Tabarī.

Volgens de Tahdhīb schreef al-Shāfiʿī 113 werken over interpretatie (tafsīr),   fiqh en literatuur. De werken die betrekking hebben op fiqh zijn de Risālah, de Kitāb al-Umm, de twee Jāmi‘s, de Mukhtasar van al-Muzani en de Mukhtasar van Rabiʿ. De meest bekende commentaren op de geschriften van al-Shāfiʿī zijn de Taʿlīqs van Abū Hāmid al-Isfarāyini, al-Tabarī en al-Māwardi.[qtip:6| Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 305-08; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, pp. 68-69; vgl. Melchert, The Formation of the Sunnī Schools of Law, 9th-10th Centuries, pp. 68ff]

Bagdad en Caïro vormden de belangrijkste centra voor de activiteiten van Imam al-Shāfiʿī. Het zijn deze twee steden geweest van waaruit de leerstellingen van de Shāfiʿītische school zich in de 9de eeuw hebben verspreid. Gedurende de regeerperiode van sultan Salahuddin was de Shāfiʿītische madhhab, de school voor jurisprudentie, de belangrijkste in Egypte, en tot op de dag van vandaag is de Imam van al-Azhar Masjid nog altijd een Shāfiʿī. De Shāfiʿītische madhhab wordt nog steeds intens bestudeerd, samen met de andere drie wetscholen van de soennieten.[qtip:7| Doi, Sharī‛ah: Islamic Law, pp. 160-62]

Imam al-Shāfiʿī was een man met een sterke geest, met meer wereldlijke ervaring dan Imam Abū Hanīfa en Imam Mālik. Uit het materiaal waarvan hij werd voorzien door Imam Ja‘far al-Sādiq, Imam Mālik en Imam Abū Hanīfa, vormde hij een school met brede, ruime opvattingen, die voornamelijk bij de middelklasse acceptatie ontmoette. De madhhab van al-Shāfiʿī heeft aanhangers in Noord-Afrika, delen van Egypte, Zuid-Arabië, het Maleisische Schiereiland en onder de moslims van Ceylon en de provincie Mumbai van India.[qtip:8| Al-Dhahabī, Siyar Aʿlām al-Nubalā, vol. X, pp. 5-99]

Tegenwoordig worden de volgelingen van deze school aangetroffen in de Strait (de Straat van Malakka), de Maleisische districten van Thailand, de Hindoestaanse kust (Malabar en Coromandel), in Zuid-Arabië, speciaal in Hadramut, in Bahrein, in de Perzische Golfstaten, in bepaalde Centraal-Aziatische gebieden, in Dagestan en in de vroegere Duitse Oost-Afrikaanse koloniën. Sommige islamieten in Syrië tenslotte volgen de Shāfiʿītische leerstellingen alleen in de privésfeer; deze situatie geldt ook voor de volgelingen die worden aangetroffen in Arabië en Egypte.[qtip:9| Al-Shāfiʿī, introduction to al-Umm, vol. I-VIII, (Caïro: Dar al-Maʿrifah, 1973),; Akgunduz, Turk Hukuk Tarihi, vol. I, pp. 128-29; Zaydan, al-Madkhal li Dirāsah al-Sharīah al-Islāmiyyah, pp. 167-70; Muhammed Abū Zahra, Imām al-Shāfiʿī (Caïro: Dār al-Fikr al-Arabī, 1997), pp. 4-20; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-208; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, p. 313]

 

 


[1]  Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 141-8; Mawsū’ah al-Adyān al-Muyassarah (Beiroet: Dar al-Nafā’is, 2002), p. 310; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, pp. 68-69; al-Zuhaylī, al-Fiqh al-Islamī, vol. I, pp. 49-52.

[2]  Ibn Khallikān, Wafayāt al-Aʿyān, vol. IV, pp. 21-5; Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 296-99; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-201.

[3]  Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.148.

[4]  Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.  148-51; Doi, Sharīah: Islamic Law, pp. 157-60.

[5]  Muhammed ibn Idris al-Shāfiʿī, al-Risālah, ed. Ahmed Muhammad Shakir (Beiroet: al-Maktabah al-Ilmiyyah, d.n.), pp. 39-42, 596-600; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-208; Aghnides, Islamic Theories of Finance, pp. 142-45; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 299-304.

[6]  Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 305-08; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, pp. 68-69; vgl. Melchert, The Formation of the Sunnī Schools of Law, 9th-10th Centuries, pp. 68ff.

[7]  Doi, Sharī‛ah: Islamic Law, pp. 160-62.

[8]  Al-Dhahabī, Siyar Aʿlām al-Nubalā, vol. X, pp. 5-99.

[9]  Al-Shāfiʿī, introduction to al-Umm, vol. I-VIII, (Caïro: Dar al-Maʿrifah, 1973),; Akgunduz, Turk Hukuk Tarihi, vol. I, pp. 128-29; Zaydan, al-Madkhal li Dirāsah al-Sharīah al-Islāmiyyah, pp. 167-70; Muhammed Abū Zahra, Imām al-Shāfiʿī (Caïro: Dār al-Fikr al-Arabī, 1997), pp. 4-20; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 199-208; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, p. 313.

8 Soera Taha en Umar ibn al-Al Khattab

Soera Taha is geopenbaard in Mekka, bestaat uit 135 verzen en ontleent zijn naam aan de letters waarmee de soera opent.

In de islamitische geschiedenis heeft deze soera een belangrijke plaats, vanwege het feit dat 'Umar zich dankzij deze soera heeft bekeerd tot de islam. 'Umar ibn al-Khattab, was aanvankelijk een grote vijand van de islam. Hij had de taak op zich genomen om de Profeet te vermoorden en was onderweg om deze taak te volbrengen. Nadat hij er onderweg achterkwam dat zijn zus Fatima en zijn zwager Sa'id moslim waren geworden, wilde hij hen eerst ombrengen. Het echtpaar, dat de soere Taha aan het lezen was, probeerde de bladzijden te verbergen toen ze 'Umar zagen. Tevergeefs, want 'Umar had hen al gehoord. Hij wilde zien wat ze aan het lezen waren.

Toen ze ontkenden, viel hij Sa'id aan en gaf hij Fatima, die hem probeerde tegen te houden, klappen. Er stroomde bloed over het gezicht van Fatima. Ze vond toen de moed om openlijk te vertellen dat ze moslim waren geworden. 'Umar had medelijden met zijn zus en vroeg op een zachte toon of ze hem konden geven wat ze aan het lezen waren. Hij las de bladzijden waar de soera Taha op stond en hij werd geraakt door de wonderbaarlijke invloed die de Koran heeft. Hij bezocht de Profeet en werd moslim. 

 

Bismillahi al-Rahman al-Rahim

1. TA HA

2-3. We hebben jou de Koran niet neergezonden om jou ongelukkig te maken, maar als herinnering voor degenen die [de bestraffing van Allah] vrezen.

4. Een neerzending van Degene Die de aarde en de verheven hemelen schiep.

5. De Barmhartige (al-Rahman), Die Zich op de Troon heeft gevestigd.

6. Hem behoort toe al hetgeen zich in de hemelen bevindt, hetgeen zich op de aarde bevindt, hetgeen zich tussen deze twee bevindt en hetgeen zich onder de grond bevindt.

7. En of je het woord al dan niet hardop uitspreekt, Hij kent het geheime en het diepst verborgene.

8. Allah, er is geen god dan Hij. Hem behoren de mooiste namen toe.


 


 

De Levende Koran

9 Wie was Imam Boehari?

Imam Boehari is de Hadith­geleerde die het welbefaamde boek Sahih­i Boehari heeft geschreven, wat een zeer belangrijk boek is. Zijn officiele naam is Mohammed bin Ismail en zijn bijnaam is Aboe Abdullah. Hij had een hoge graad in de Hadith wetenschappen, en wist samen met de bronnen 300.000 hadith uit zijn hoofd, waardoor hij ook de naam "Imam" heeft gekregen, en omdat hij uit Boehara komt, werd hij Boehari genoemd; zo is hij aan de naam Imam Boehari gekomen. Hij is in het jaar 810 in Boehara geboren en is in 870 in Semerkand in de wijk Hartenk overleden.

Op een jonge leeftijd had hij zijn vader verloren, en begon zijn educatie in Boehara. Zijn moeder, die zeer vroom was, heeft wel moeite gedaan om hem en zijn broertje op te voeden. Vanaf zijn tiende begon hij les te krijgen van de Hadith­geleerden. Nog voor hij vijftien was, kende hij 70.000 hadith uit zijn hoofd.

In de Hadith wetenschappen had hij zich zo snel ontwikkeld dat hij met zijn docenten hierover in debat ging. Zijn meester Dahili heeft met zijn hulp de gebreken in de bronnen gedicht. Op zijn zestiende had hij de boeken van Abdullah bin Moebarek en Weki bin Cerrah gememoriseerd. In de jurisprudentie wetenschappen heeft hij geleerd wat de Muctehid hebben verteld. Vervolgens is hij met zijn moeder en broertje naar Hadj gegaan. Op zijn achttiende heeft hij de preken van de metgezellen en hun volgers verzameld. Van Abdullah bin Zoebeyr el­Hamidi heeft hij de jurisprudentie over de Shafii­leerschool geleerd.

Imam Boehari was zeer slim en had een zeer goed geheugen, waardoor hij de Hadith die hij waarnam, direct onthield.

10 Wat is de as siraat?

In de Koran wordt het begrip siraat gebruikt als “mustakim” (kloppend) en komt neer op de betekenis van het toegestane door Allah, Zijn Tawhid en Islamitische religie:

“Wie trouw is aan Allah en zich aan hem vastkleeft, wordt zeker overgebracht op het rechte pad." [qtip:(1)| Al-i İmrân, 3/101]

“Allah is zeker weten ook mijn Rab. Hij is ook jullie Rab. Bid alleen voor Hem. Dit is de rechte weg." [qtip:(2)| Al-i İmran, 3/51]

Bij het noemen van het begrip “siraat” komt de siraat van het hiernamaals in ons op. Siraat is de brug tussen de Mahshar en hemel en loopt over de hel.  Deze brug zal ontstaan wanneer iedereen wordt gewekt uit hun dood, ofwel tijdens de Mahshardag. Gelovigen, zondigen en ongelovigen zullen allemaal over deze brug moeten lopen. Er is geen ander weg naar de hemel. Aan beide zijden van de brug zullen er haken zijn die mensen met onvoldoende goede daden in het wereldse leven naar beneden (de hel) gooien. Dit doen ze in opdracht van Allah (c.c.). Mensen met voldoende goede daden zullen ondanks hun slechte daden met moeite en pijn alsnog de brug (siraat) kunnen overbruggen. Sommige gelovigen zullen het pas na jaren kunnen halen. Tijdens deze moeilijke fase zal onze Profeet (v.z.m.h.) voor ons smeekbedenen verrichten, zoals: “Help ze ya Rab help!..” [qtip:(3)| Müslim, İman, 84/329] 

11 Zuinigheid en gulheid van Abdullah ibn Omar(RA)

Er zit veel verschil tussen bezuiniging en gierigheid. Bijvoorbeeld, bescheidenheid is een geprezen eigenschap die schijnbaar lijkt op, maar inhoudelijk anders is dan de zondige eigenschap zelfvernedering. Ook is bedaardheid een geprezen eigenschap die schijnbaar lijkt op, maar inhoudelijk anders is dan de kwade eigenschap hoogmoed. Evenzo heeft de eigenschap bezuiniging, welke deel uitmaakt van de verheven profetische eigenschappen en behoort tot de basis van de diepzinnige Goddelijke orde in het universum, geen enkele band met gierigheid, wat een fusie is van ontstentenis, schraapzucht, inhaligheid, en hebzucht. Er is slechts een ogenschijnlijke gelijkenis. De volgende gebeurtenis bevestigt deze werkelijkheid:

Abdullah ibn Omar (RA), oftewel één van de bekende zeven Abdullah genaamde metgezellen, was de prominentste en oudste zoon van Omar, alias de kalief der Godsgezant (VZMH) en grootste scheider van vals- en waarheid. Tevens was hij één van de voornaamste onder de geleerde metgezellen. Omwille van bezuiniging en de bescherming van de handelskern, bestaande uit vertrouwen en harmonie, zette veertig cent dit gezegende individu tijdens een onderhandeling op de markt aan tot een heftige discussie. Een andere metgezel aanschouwde deze discussie. Deze omstander veronderstelde dat de zoon van de hooggewaardeerde kalief op aarde zich tijdens die discussie bizar gierig opstelde om veertig cent. Om het handelingsmotief van Abdullah te achterhalen, besloot deze metgezel om hem te achtervolgen.

Abdullah (RA) liep richting zijn gezegende huis. Voor zijn deur trof hij een arme man aan. Abdullah (RA) bleef een tijdje met hem praten, waarna de arme vertrok. Vervolgens betrad Abdullah zijn huis en kwam via een ander deur naar buiten. Daar trof hij een andere arme aan. Ook met hem bleef hij een tijdje praten, waarna hij weer vertrok.

Dit gebeuren wekte de nieuwsgierigheid op van de metgezel die hem van afstand observeerde. Hij zocht de twee arme mannen één voor één op en vroeg hen: “De imam stond een tijdje bij jullie. Wat heeft hij eigenlijk gedaan?”

Beiden zeiden: “Hij gaf mij een stuk goud.”

Daarop zei de metgezel: “Bij ALLAH, de Feilloze! In eerste instantie discussieert hij heftig op de markt om veertig cent, vervolgens geeft hij twee goudstukken helemaal vrijwillig weg, zonder het aan iemand te laten merken.”

Even later liep hij Abdullah ibn Omar tegemoet en zei:

“O imam, ontrafel mijn dilemma. Waarom heb jij op de markt zus en thuis zo gehandeld?”

Abdullah zei:

“De houding op de markt komt voort uit zuinigheid, een volwassen verstand, en het willen stabiliseren van vertrouwen en rechtschapenheid, welke de basis en ziel vormen van handel; ze bestond niet uit gierigheid. De houding bij mij thuis kwam voort uit genade van het hart en de volwassenheid van de ziel. Noch was mijn eerste houding gierig, noch mijn tweede houding verkwisting.”

Imam Âzam (RA) gaf met de volgende uitspraak een verwijzing naar dit geheim: oftewel, لاَ اِسْرَافَ فِى الْخَيْرِ كَمَا لاَ خَيْرَ فِى اْلاِسْرَافِ 

“(Geplaatste) weldadigheid en gulheid vallen niet onder verkwisting, evenmin als verkwisting onder weldadigheid valt.”

 

 


 

Bediuzzaman Said Nursi, De Traktaten over de Ramadan, Bezuiniging & Dankbetuiging, pp. 40-42.

12 De Test van Dankbaarheid

Onder de zonen van Israël waren drie mannen: één met een gevlekte huid, één geheel kaal en de derde blind. Allah de Verhevene wilde hen testen en stuurde naar hen een engel toe, maar in de gedaante van een mens.

De engel wendde zich eerst tot de man met de gevlekte huid en vroeg hem "Wat is het, dat jij het liefst zou willen?" De man antwoordde "Een mooie huidskleur, een prachtige huid en verlost te worden van deze vreselijke ziekte die mensen van mij wegjaagt." Hierna streek de engel zijn huid en verdwenen de vlekken.

Daarna vroeg de engel hem: "Wat zou je het liefst bezitten?" De man antwoordde: "Een kameel": Daan gaf de engel hem een zwangere kameel en bad voor hem: "Moge Allah haar vruchtbaar voor je maken."

Vervolgens ging de engel naar de kale mar en vroeg "Wat zou jij het liefst willen?" De mar antwoordde: "Een mooie bos haar en te worden verlos na van deze situatie, die mensen van mij wegjaagt." De engel streek over zijn hoofd, de kaalheid verdween ei een volle bos haar verscheen.

Daarna vroeg de engel hem: “Wat zou je het liefst bezitten?” De man antwoordde: “Een koe”, waarna de engel hem een zwangere koe gaf en voor hem bad: "Moge Allah haar vruchtbaar voor je maken."

Toen ging de engel naar de blinde man en vroeg: "Wat zou jij het liefst willen?"

De man antwoordde: "Ik zou willen dat Allah mij mijn gezichtsvermogen teruggeeft, opdat ik de mensen weer kan zien:" De engel raakte zijn ogen aan, waarna de man weer kon zien en vroeg hem: "Wat zou jij het liefst bezitten?" De man zei: "Een schaap", en de engel gaf hem een zwanger schaap.

De kameel, de koe en het schaap kregen allemaal nakomelingen en na verloop van tijd waren de bezittingen van de mannen verveelvoudigd. De een had een vallei vol met kamelen, de andere een vallei vol met koeien en de laatste een vallei vol met schapen.

Later verscheen de engel als een arme man, met een gevlekte huid, en kwam bij de man die er ooit ook zo uitzag en de engel zei: "Ik ben een arme man, zonder de middelen om mijn reis voort te zetten. Ik kan mijn bestemming allereerst alleen met de wil van Allah en daarna met uw hulp bereiken. Geef me alsjeblieft een kameel omwille van Allah, Degene Die jouw je prachtige huid en al jouw bezittingen heeft gegeven."

De man weigerde dit en zei: "Het is onmogelijk.  Er zijn zoveel mensen die recht hebben op deze rijkdom, en er zijn zoveel plaatsen om mijn rijkdom te besteden voordat jij aan de beurt bent." Hierop zei de engel: "Ik denk dat ik jou ken, ben jij niet de man die ook eens een gevlekte huid had, waardoor mensen op afstand bleven, voordat Allah jou gezondheid en rijkdom gaf?"

De man loog en zei: “Je praat te veel, ik heb mijn rijkdommen geërfd van mijn voorouders". De engel vervloekte de man en zei: "Als jij liegt, moge Allah jou dan terugbrengen tot degene die je was"

Vervolgens veranderde de engel in een kale man, ging naar de man die ooit kaal was en vroeg hem hetzelfde, waarop de kale man hetzelfde antwoordde als de man ervoor. Weer vertrok de engel en zei: "Als jij liegt, moge Allah jou dan terugbrengen tot degene die je was."

Toen veranderde de engel in een blinde man en ging naar de man die ooit blind was en zei: "Ik ben een arme man, zonder de middelen om mijn reis voort te zetten. Ik kan mijn bestemming alleen bereiken met eerst de wil van Allah en daarna met uw hulp. Geef me alsjeblieft een schaap omwille van Allah, Degene Die jou je gezichtsvermogen en al jouw bezittingen heeft gegeven."

De man zei: "Ik was ook ooit blind en Allah opende mijn ogen. Ik was arm en Allah schonk mij bezittingen. Neem wat jij wil en laat datgene achter wat jij niet wil. Ik zweer dat ik het je niet moeilijk zal maken." Hierop zei de engel: "Laat alles van jou blijven, want dit was een test voor jou en Allah is tevreden met jou. De twee anderen hebben gefaald in hun beproeving en nu moeten ze vrezen voor de toorn van Allah." En de engel verdween... [qtip:1| al-Buchari, Anbiyá, 51; Musliam, Zuhd, 10]

 

13 Hoe behoren we de Islamitische heilige nachten te vieren?

Tijdens de Islamitische heilige nachten kunnen en behoren we een aantal belangrijke praktijken te beoefenen. We kunnen op deze dagen vergiffenis om onze zondes vragen, goede daden verrichten, mentaal hogere sferen bereiken, van slechte dingen onszelf beschermen en de tevredenheid van Allah winnen. We zullen dit alles in een aantal punten uiteenzetten:

1) Het lezen van de Koran; er behoort geluisterd te worden naar hen die hem lezen; op de geschikte plaatsen behoort er Koran gelezen te worden; de gevoelens omtrent de liefde en het respect jegens de Koran behoren ververst te worden.

2) We behoren onze Profeet (v.z.m.h.) te gedenken; ook behoren wij op Zijn (v.z.m.h.) hulp te hopen en te bedenken dat wij tot zijn volk behoren.

3) De gemiste en extra gebeden behoren gebeden te worden; wanneer wij dan bidden, behoren we dit met besef te doen.

4) We behoren te denken aan vragen als “Wie ben ik, van waar kom ik, waar ga ik heen, wat wilt Allah van mij” en behoren goed na te denken over het leven.

5) We behoren goed over ons verleden na te denken en behoren goed na te denken over wat we nu en in de toekomst zullen doen.

6) We behoren serieus vergiffenis om onze zondes te vragen; en deze nacht als onze laatste kans voor vergiffenis van onze fouten te zien.

7) We behoren zeer veel recitaties te verrichten.

8) De gelovigen behoren elkaar te vergeven en de band tussen ons versterken.

9) Zij die onenigheid onderling hebben, behoren weer tot vrienden gemaakt te worden en de droevige gezichten behoren aan het lachen gemaakt te worden.

10) Men behoort voor zichzelf en andere gelovigen –zelfs met het benoemen van hun namen- smeekbeden te verrichten.

11) Zij in wiens rechten wij zijn getreden, behoort contact mee gelegd te worden en behoren wij onze beloftes na te komen.

12) Zij die niemand hebben of zeer ziek zijn, behoren bezocht te worden en liefde getoond te worden zodat zij gelukkig worden.

13) Over deze nacht behoren verzen, hadith en boeken gelezen te worden - alleen of in een groep.

14) Er behoren religieuze bijeenkomsten geregeld te worden; er behoort naar religieuze preken geluisterd te worden en gedichten gelezen te worden.

15) De avond-, nacht en ochtendgebeden tijdens deze nachten behoren in groepen en in moskeeën gebeden te worden.

16) De plaatsen van de sahaba’s, geleerden en heiligen behoren bezocht te worden.

17) De begrafenissen van onze families, vrienden en ouderen behoren bezocht te worden; de goedheid van broederschap behoort teweeg gebracht te worden.

18) We behoren onze (geestelijke) ouderen, leraren, ouders en vrienden persoonlijk te bezoeken, telefoneren of te e-mailen en voor deze nacht te feliciteren.

19) Tijdens de dagen van deze heilige nachten behoren we –indien het mogelijk is- te vasten.

Tijdens de belangrijke nachten is er geen speciale smeekbede voor. We kunnen tijdens deze nachten bidden, de Koran lezen en smeekbeden verrichten. De persoonlijke gebeden die worden verricht, vallen niet onder de Soennah. Ze berusten ook niet op overleveringen. Dit betekent niet dat het verrichten van het gebed een fout is. Er zijn namelijk wel veel overleveringen over nacht- en extragebeden. Het verrichten van deze gebeden op dierbare nachten, is zeker beter. [qtip:1| Canan, Kütüb–ü Sitte, 3/289]

Er is geen bezwaar tegen gebeden die toeschreven wordt aan de heilige nachten en apart gebeden worden. Men verricht dan nog altijd een goede daad.

----------------------

[1] Canan, Kütüb–ü Sitte, 3/289

14 Hoe bekeerde Ali (r.a) zich tot de Islam?

De profeet stond niet meer in zijn eentje tegenover de wereld. Zijn trouwe vrouw stond nu aan zijn zijde. Haar bekering stimuleerde hem zijn taak hoopvol voort te zetten. Samen verrichtten zij gebeden en smeekten ALLAH om hulp. Op een dag wanneer ze weer samen in gebed stonden, had Ali hen opgemerkt en keek bewonderd naar wat zij aan het doen waren. Kleine Ali, die door de opvoeding van de Meester der mensheid een grote voorsprong had op zijn leeftijdsgenoten, wachtte tot zij het gebed hadden afgerond en vroeg hen vervolgens wat zij aan het doen waren. Als antwoord gaf Mohammed:

“O Ali, dit is het verkozen geloof dat geliefd is door ALLAH. Ik nodig jou uit om te geloven in ALLAH, Die één is, en ik weerhoud jou ervan om Lât en Oezza te aanbidden, die zichzelf noch anderen begunstigen.”

Ali wierp zijn blik naar de grond. Na een tijdje piekeren, rees hij zijn hoofd en zei:

“Dergelijke zaken heb ik vernomen noch gezien. Ik kan geen besluit nemen voordat ik een bespreking heb gehouden met mijn vader hierover.”

Mohammed had echter nog niet het bevel gekregen om de Islam openlijk te verkondigen en mensen ervoor uit te nodigen. Vanwege deze reden zei Mohammed het volgende tegen hem:

“O neef van mij, mocht jij hetgeen ik jou opdroeg willen uitvoeren, voer het dan uit. Zo niet, houd het dan voor jezelf en vertel niets door.”

Ali beloofde alles geheim te houden. Die nacht besteedde hij peinzend over alles wat hij met de profeet beleefd had. De man uit wiens mond hij nooit iets kwaads had vernomen, nodigde hem uit tot een religie. In de ochtend werd Mekka met zonnestralen en het hart van Ali met het geloof verlicht. Hij benaderde Mohammed en zei:

“Toen ALLAH mij schiep, had Hij ook niet de mening van Eboe Talib gevraagd. Waarom zou ik dat dan doen?”

Op tienjarige leeftijd werd Ali de tweede volgeling van Mohammed. Na zijn bekering, wilde Ali altijd in de aanwezigheid van de profeet zijn, zodat hij de eerste was die de openbaringen doorgegeven kreeg van Mohammed. Tijdens de beginjaren van de Islam, baden de moslims twee gebeden per dag: het ochtend- en avondgebed, beide gebeden waren 2 rakaat. De profeet wilde ongestoord zijn gebeden uitvoeren, daarom zocht hij rustige plekken op buiten de stad en bad vaak onder dadelbomen nabij Mekka. Ali vergezelde hem vaak hierin.

Toen ze op een dag weer onder een dadelboom een gebed verrichtten, trof Eboe Talib hen. Hij stond perplex en vroeg zich af waar zij mee bezig waren. Nadat de twee het gebed hadden volbracht, benaderde hij Mohammed en vroeg hem:

“O geliefde zoon van mijn broertje, wat is dit voor religie?”

Waarop Mohammed zei:

“O oom, dit is de religie van ALLAH, de religie van engelen, profeten en van onze voorvader Ibrahim. ALLAH heeft mij gezonden naar Zijn onderdanen met dit geloof. Geliefde oom, onder degenen die ik wil uitnodigen tot deze religie sta jij voorop en verdien jij het meer dan wie dan ook.”

Na een moment stilte, gaf Eboe Talib hem het volgende antwoord:

“Ik kan mijn voorgaande religie niet verlaten, maar houd het geloof aan waarin jij je bevindt. Bij ALLAH, zolang ik leef, zal niemand jou deren of hetgeen jij vervolmaken wil, kunnen hinderen.

Vervolgens wendde hij zich tot zijn Ali en zei:

“Mijn dierbare zoon, wat is er geworden van jou? Wat voor religie heb jij aanvaard?”

Zijn zoon antwoordde daarop:

“Ik heb mijn geloof in ALLAH en Zijn gezant bevestigd en mij overgegeven aan wat zij voortgebracht hebben”

Waarop Eboe Talib zei:

“Mijn zoon, het siert jou om de religie van jouw neef uit eigen wil te aanvaarden. Hij zal jou slechts tot het juiste uitnodigen, geef daarom gehoor aan hem.”

Zo eindigde de conversatie. Eboe Talib verliet hen en zette zijn weg naar huis weer voort. Thuis wachtte zijn vrouw Fâtimeh hem op in angstige woede. Zodra hij was aangekomen, haastte zijn vrouw zich naar hem en zei onstuimig:

“Waar is jouw zoon? Eén van mijn werkers heeft hem zien bidden met Mohammed op een wijze die ons vreemd is. Accepteer jij de religieovergang van jouw zoon?”

Eboe Talib wendde zich geërgerd naar haar en zei:

“Zwijg! Bij ALLAH, zijn neef ondersteunen en bijstaan zijn taken waar hij meer dan wie ook verantwoordelijk voor is! Als mijn ego tevreden zou zijn met het verlaten van de religie die Abdulmoettalib aanhing, zou ik ook een volgeling worden van Mohammed, want hij is zachtaardig, trouwhartig en zuiver.”

 

 

15 Hoe voorzichtig waren de eerste leiders van de Islam?

Anas bin Malik (r.a.) heeft het volgende overgeleverd:

“Toen Omar (r.a.) de wacht hield, zag hij dat de caravan zich vestigde en hij werd bang dat zijn goederen gestolen zou worden. Op dat moment kwam hij Abdurrahman b. Awf tegen en zei tegen hem: “Toen ik de wacht hield, kwam ik de caravan tegen die zich vestigde. Ik werd bang dat de dieven in de nacht diefstal zouden plegen. Kom laten we samen de wacht houden!” Samen zaten ze dichtbij de plek waar de rondtrekkers waren gevestigd en hielden de wacht. Toen het ochtend werd en Omar (r.a.) naar de caravan toe liep en hen tot het ochtend gebed riep, zag hij dat zij opstonden. Hij liep daarop naar hen toe. 

Van Ali (r.a.) werd het volgende overgeleverd: “Op een ochtend zag ik dat Omar (r.a.) op een kameel zat en naar een caravan toe liep; ik vroeg hem waar hij heen ging. Één van de aalmoes-kamelen is weggerend, en ik wil hem terug hebben!” “Ow Omar, je hebt de khalifa die na jou zullen komen, neerslachtig gemaakt!” “Ow Ali, wees niet denegrerend tegenover mij! Ik zweer het, wanneer langs de Firat een lam in het meer valt, dan zal Omar hier verantwoordelijk voor zijn. Want een leider die niet de rechten van de gelovigen beschermt en een leider die de gelovigen angst aanjaagt, zal niet worden gevolgd!” 

In de eerste jaren van de Islam waren de leiders zo voorzichtig en rechtvaardig; om deze reden was deze eeuw voor de Islam de gouden eeuw geworden. 

16 Mag een moslim buigen en of knielen voor een mens? En hoe zit het met Soerah twaalf vers honderd uit de Koran?

Niet elk buiging is hetzelfde als roekoe. Dat mensen voor elkaar buigen met de intentie om respect te tonen of omdat het een gewoonte is, wil niet zeggen dat het verboden is. We kunnen niet zeggen dat het haraam is. Van ouds zien we in de Islamitische wereld dat dergelijke daden verricht werden tegenover sultans of tegenover belangrijke personen.

Ongetwijfeld is het veel beter om zo’n dergelijke daad niet te verrichten.

Als we kijken naar het buigen voor een shia of een soufist geleerde, dan is het is mogelijk om dit onderwerp te beoordelen vanuit traditionele aspecten. Volgens onze traditie is buigen voor bepaalde geleerden of ouderen enkel een uiting van respect. Echter als men de intentie heeft om de persoon tegenover hem te verafgode, dan is dit ten alle tijden niet toegestaan. Een dienaar dient elk van zijn daden volgens een norm te verrichten. Respect en eerbied moet men uiten, echter wel binnen de grenzen van de Islamitische normen; afgoderij kent hierbinnen geen plek. Het is een vereiste van elke dienaar om te houden omwille van Allah, te verafschuwen omwille van Allah en geen enkel schepsel naast Allah te vereren, en daarmee dus ook voor te buigen.

In soerah twaalf vers honderd is ook te zien dat profeet Youssef voor zijn vader uit respect buigt, en niet omwille van afgoderij. Zie hieronder:

“Hij hief zijn ouders op de troon en zij wierpen zich voor hem neder. En hij zeide: "O mijn vader, dit is de vervulling van mijn vroegere droom. Mijn Heer heeft deze verwezenlijkt. En Hij schonk mij een gunst toen Hij mij uit de gevangenis verloste en u uit de woestijn bracht, nadat Satan tweedracht tussen mij en mijn broeders had gezaaid. Voorzeker, mijn Heer is goedertieren voor wie Hij wil. Waarlijk, Hij is de Alwetende, de Alwijze.” [qtip:(1)| Koran, 12:100]

17 BEKNOPT BIOGRAFISCH OVERZICHT VAN BEDIUZZAMAN SAID NURSI

1ste DEEL: “DE OUDE SAID” [1877-1920]

1877: Said Nursi wordt geboren in het Oost-Anatolische Nurs, in de provincie Bitlis, als zevende kind.

Het is het jaar 1292 volgens de Rūmī-kalender, op dat moment in gebruik in het Ottomaanse Rijk.

1886: Rond zijn tiende jaar begint Nursi zijn opleiding aan de plaatselijke medresse, een islamitische juridisch-theologische hogeschool. 

1886-1891: Overeenkomstig de toenmalige geldende gewoonte leert hij de basisprincipes van de Arabische grammatica. Het onderwijs kan hem niet in voldoende mate bekoren, ten gevolge waarvan hij steeds weer van medresse wisselt.

1891: Uiteindelijk treft hij op zijn weg Sjeik Muhammed Jalāli, bij wie hij enige tijd verblijft. Nursi heeft sterk de indruk dat het onderwijs behoefte heeft aan de nodige hervormingen. Hij concentreert zich op enkele sleutelteksten en legt het eindexamen af binnen de voor die tijd zeer ongebruikelijke periode van drie maanden. Op die manier probeert hij tevens te bewijzen, dat veranderingen binnen het onderwijssysteem noodzakelijk zijn. In de daarop volgende discussies met de geleerden van zijn geboorteprovincie bewijst Nursi zich als een tegelijkertijd bedachtzame en superieure geleerde, hetgeen hem de eretitel Bediüzzaman, ‘Wonder van de Tijd’, oplevert. 

1892: De pogingen tot verklaring van de grote vragen van zijn tijd leiden bij Said Nursi tot inzicht in de basisproblematiek van de islamitische gemeenschap.

1893-1895: De stad Bitlis. Men neemt tegenwoordig aan, dat Nursi ongeveer twee jaar in Bitlis heeft geleefd, waar hij _ overeenkomstig het leerplan van de medresse_ veertig belangrijke werken uit zijn hoofd leert.

1895-1897: De stad Van. Het gelukt Nursi een eigen school te stichten, waarin hij zijn ideeën over veranderingen in de islamitische beschaving in praktijk tracht te brengen. Tegelijkertijd leest hij alle belangrijke leerboeken, waarin de op dat moment bekende natuurwetenschappelijke kennis wordt weergegeven. Langzamerhand ontstaat bij hem het idee van de oprichting van een universiteit, waarin de religieuze en de natuurwetenschappelijke docent en onderzoeker gezamenlijk kunnen werken. Tijdens zijn verblijf in Van wenden zich steeds meer afzonderlijke individuen en stammen tot de jonge geleerde om hem in conflicten om raad en bijstand te vragen. Daarbij manifesteert Nursi zich niet alleen door zijn persoonlijke moed en betrokkenheid, doch ook en vooral als vredestichter.

1907: Istanbul. Tegen het einde van het jaar 1907 reist Nursi naar Istanbul, de hoofdstad van het Osmaanse Rijk, om daar steun en bijval te verwerven voor het idee van de stichting van een Oost-Anatolische universiteit.

De tot dan toe onbekende geleerde uit Oost-Anatolië wordt in korte tijd zo bekend, dat hij zelfs wordt ontvangen door de regerende sultan, Abdulhamīd II. Wanneer in de zomer van 1908 de tweede grondwet in werking treedt, raakt Nursi betrokken bij vele reacties daarop, via krantenartikelen en tijdschriftpublicaties. Hij wordt lid van de Ittihad-i-Muhammedi, de Muhammedaanse Vereniging voor de Eenheid van de Moslims, hetgeen hem voor een oorlogsrechtbank brengt, waar hij trouwens wordt vrijgesproken.


1910: In 1910 publiceert hij onder de titel ‘Nutuk ’ een boek dat de verzamelde artikelen en publicaties bevat. In de zomer van datzelfde jaar bezoekt hij een aantal Oost-Anatolische stammen, om deze van de nieuwe politiek te overtuigen. Hij is van mening, dat het constitutionalisme de eenheid en vooruitgang van de islamitische wereld tot een vereiste maakt. De talrijke redevoeringen en gesprekken van die maanden worden later in twee banden samengebracht en gepubliceerd: Muhākạmāt (Argumentaties, 1911) en Munāzarāt (Debatten, 1913).

1911: Tijdens zijn reis belandt Nursi onder andere in Damascus, waar men hem verzoekt in de Omayyādenmoskee een preek te houden, hetgeen hij in vloeiend Arabisch doet. De tekst ervan wordt tweemaal gedrukt en verschijnt het jaar daarop in een Turkse vertaling. In de preek stelt hij de waarheid van het geloof, de Islam, boven de politiek, de realiteit van de dag. Wanneer hij nog nauwelijks in Istanbul is teruggekeerd, wordt hij door de sultan uitgenodigd hem op zijn reis door de Balkan te begeleiden, terwijl men hem de steun toezegt voor de vestiging van een Oost-Anatolische universiteit.

1912: Het jaar waarin de eerste steen wordt gelegd voor deze universiteit, ‘de Mạdrạsạ ạl-Zahrā’. In de daarop volgende maanden geeft de ondertussen beroemd geworden Said Nursi les op zijn oude school in Van.

1914: Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waarin Russische en Armeense legers Turkije binnendringen, wordt de leraar Nursi de bevelhebber van zijn provincie en tegelijkertijd commandant van een studentenvrijwilligersregiment, waarvan de kern uit zijn eigen studenten bestaat, waarmee hij zich diverse malen onderscheidt, onder andere bij de verdediging van de stad Bitlis. Tijdens onderbrekingen in de strijd dicteert hij zijn later beroemd geworden commentaar ‘Ishārāt ạl-I’jāz’.

1916-1918: Uiteindelijk wordt het regiment door het Russische leger gevangen genomen, en wordt Nursi zelf naar een kamp aan de Wolga gebracht. Hij ontsnapt in de zomer van 1918 en vlucht via Berlijn naar Istanbul.

1918-1920: Het Ottomaanse Rijk valt uiteen, oprichting Turkse Republiek en parlement in 1922.

Met zijn benoeming tot lid van de hoogste Ottomaanse Raad voor vragen over ontwikkeling en beschaving, de Dar ạl-Hikmạ ạl-Islamiyyạ, begint een periode van intensieve werkzaamheden voor Nursi. De vrucht daarvan bestaat niet alleen uit een groot aantal publicaties, doch eveneens uit een sterk sociaal engagement, dat hem bijvoorbeeld tot de Vereniging van de Groene Halve Maan doet toetreden, welke zich tegen de verbreiding van alcohol richt. Vanuit de huidige perspectieven gezien kan het saillant vermeldenswaardig zijn, dat in 1920 een krantenartikel van zijn hand verschijnt, waarin Nursi, zelf Koerdisch van oorsprong, zich uitdrukkelijk tegen de eis, de wens tot een autonoom Koerdistan keert.

 

2de DEEL: “DE NIEUWE SAID” [1920-1950]


Midden in zijn veertiger jaren trekt de inmiddels zo succesvolle geleerde zich in alle eenzaamheid terug, om na te denken, te mediteren, hetgeen een sterk veranderingsproces inleidt, aan het einde waarvan Nursi tot het inzicht komt dat de islamitische wereld zich in een crisis bevindt. De oplossing van Nursi is een herbezinning op de Koran als bron van geloof, en een bewuste keuze voor een leven vanuit het geloof.

In deze tijd schrijft en publiceert Nursi een serie werken in de Arabische taal, die in het Turks verschijnen onder de titel “Mesnevi-i-Nuriyye”.

1922: Na diverse uitnodigingen van de regering reist Said Nursi naar Ankara, waar het parlement hem een officiële ontvangst bereidt. Hij vindt zoveel weerklank, dat men hem aanbiedt zich met bepaalde opdrachten bezig te houden. Het gelukt hem parlementsafgevaardigden van het idee van een universiteit in Oost-Anatolië te overtuigen, doch ondanks de goedkeuring van de autoriteiten voor deze universiteit maken de omstandigheden van 1922 de reële bouw ervan onmogelijk.

1923-1925: Op een voor islamitische geleerden kenmerkende wijze trekt de vijftigjarige Nursi zich uit de politiek en uit het maatschappelijke leven terug, om met een selecte groep studenten te bidden en te mediteren. Wanneer in februari 1925 een religieus gemotiveerde opstand uitbreekt, stelt hij zich daar in geschrifte tegen teweer; niettemin plaatst de regering hem onder toezicht en ‘verlegt’ zij zijn populariteit in de daaropvolgende jaren van het ene verbanningsoord naar het andere.

1926-1935: Min of meer als tegenhanger, als reactie en als ‘protest’ tegen de politiek van de dag verschijnen in deze jaren van Said Nursi verhandelingen, brieven en langere teksten, die het Hiernamaals, de verantwoordelijkheid van de mens, zijn geloof en de openbaring trachten uiteen te zetten. Zijn populariteit groeit even snel als de kring van zijn studenten, waardoor de autoriteiten er zich door zien genoodzaakt hem naar aanleiding van ‘klachten’ steeds opnieuw in gevangenissen en in verbanningsoorden te stoppen.

1936-1949: Tijdens zijn lange zwerftocht in gevangenissen en verbanningsoorden ontstaat in het geheim een groot aantal werken, dat zijn studenten op de meest uiteenlopende manieren bereikt, ondanks alle controle. Studenten schrijven deze teksten van Nursi over en zorgen voor verspreiding. Op deze wijze ontstaat een steeds omvangrijker kring van studenten die zich met zijn tekst bezighoudt, in alle bevolkingslagen. Tenslotte, in december 1949, wordt Said Nursi vrijgelaten.

 

3de DEEL: “DE DERDE SAID” [1950-1559]


1950: De politieke veranderingen in Turkije brengen niet alleen een algemene amnestie met zich mee, doch tegelijkertijd een vrijheid waarvan Nursi dankbaar gebruik maakt.

1951: Een jaar later besluit de regering eindelijk de door Nursi zo gewenste universiteit in Oost-Anatolië te bouwen. Hoewel deze niet aan zijn islamitische uitgangspunten beantwoordt, is hij ingenomen met de beslissing.

1956-1960: In juni 1956 geeft een rechtbank in Afyon toestemming tot publicatie van de Risale-i Nur, de Verhandelingen van het Licht, het tot het verzamelde werk uitgegroeide totaal aan publicaties van Said Nursi.

Ondertussen spreken zijn studenten en andere betrokken lezers van zijn kring van studentenlezers als van de ‘Jạmāat-ạl-Nūr’, de gemeenschap van het licht. In de laatste jaren van zijn leven reist Said Nursi nog eenmaal naar de plaatsen waar zijn leven zich heeft afgespeeld.

Hij sterft op 23 maart 1960, in Urfa, waar zijn studenten hem ook begraven. Uit angst dat zijn graf in een plaats van samenkomst zal veranderen en zich daarna een islamitische opstand zal ontwikkelen, wordt op 12 juli 1960 zijn lichaam op bevel van de militaire junta uitgegraven, in een nachtelijke actie in dichte mist, en naar een onbekende plaats gebracht.

 

 


[1] Gebaseerd op de biografie van Şükran Vahide (Istanbul, 1992)

18 De Hanbalītische school en haar stichter: Imam Ahmed ibn Hanbal

Imam Ahmed ibn Muhammed ibn Hanbal (780-855/164-241) was een belangrijke islamitische wetenschapper en theoloog, geboren in Khorasan in een oorspronkelijk Arabisch gezin. Hij wordt beschouwd als de stichter van de Hanbalītische fiqhschool (islamitische jurisprudentie). Hij begon zijn studie van de hadīthliteratuur opvallend vroegtijdig: toen hij nog maar zestien jaar oud was. Ibn Hanbal begon zijn carrière met het leren van de fiqh bij de alom gewaardeerde Hanafītische rechter Abū Yusuf, de bekende student en metgezel van Abū Hanīfa. Hij onderbrak zijn studie bij Abū Yusuf om hadīths op te sporen, waarbij hij op de leeftijd van zestien jaar door het kalifaat reisde. Er wordt gezegd dat hij als student zijn leermeesters danig imponeerde. Ibn al-Jawzi verklaart dat ibn Hanbal 414 hadīthmeesters had waarvan hij hadīths overleverde, waaronder Imam al-Shāfiʿī, Bishr ibn al-Mufaddal, Ismaʿil ibn ‘Ulayyah, Yahya ibn Saʿid ibn al-Qattan, ʿAbdullah ibn Namir en Sufyan ibn ‘Uyaynah. Imam al-Shāfiʿī was een van de leraren van ibn Hanbal waarmee hij een wederzijds zeer gerespecteerde relatie onderhield.[qtip:1| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 159-67; Ibn al-Qayyim al-Jawziyya, I‘lām al-Muwaqqi‘īn ‘an Rabb al-’Ālamīn, vol. I, p. 23; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 314-17; al-Zuhaylī, al-Fiqh al-Islamī, vol. I, pp. 52-55]

Ahmed was een volgeling van al-Shāfiʿī en, na Dāwud al-Zāhirī, de meest fervente tegenstander van de mensen van de ra’y. Hij maakte zeer weinig gebruik van qiyās en baseerde zijn systeem voornamelijk op heilige teksten. Hij was niet kritisch voor wat zijn selectie van hadīths betreft; hij verzamelde er ongeveer 28.000 in zijn Musnad. Hij was een zeer conservatieve theoloog, hetgeen de nodige moeilijkheden met zich meebracht.[qtip:2| Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 317-18]

Hij was de ware sjeikh van Islam en de leider van de moslims in zijn tijd: “de meester van de hadīth”. Hij gebruikte hadīth van Hushaym, Ibrahim ibn Saʿd, Sufyan ibn ʿUyaynah, ʿAbbad ibn ʿAbbad, Yahya ibn Abū Zayd. Al-Bukhāri nam twee overleveringen van hem in zijn Sahīh op, Muslim 22, Abū Dawud 254. Abū Zurʿa, Mutayyan, ʿAbdullah ibn Ahmed, Abū al-Qasim al-Baghawī en een enorme hoeveelheid wetenschappers namen eveneens hadīths van hem in hun boeken op.[qtip:3| Aghnides, Islamic Theories of Finance, p. 145-46; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 208-10]

Imam Ahmed ibn Hanbal werd gezien als een bedreiging voor de kalief en zijn religieus gezag. Ten gevolge daarvan werd hij gedurende lange tijd in de gevangenis gezet en ruw behandeld door een aantal heersers. Kalief al-Ma’mun onderwierp wetenschappers aan serieuze onderdrukking in opdracht van de Muʿtazilī theologen, vooral Bishr al-Marrisi en Ahmed ibn Abū Dawud. Dit geschiedde voornamelijk om het idee dat God de Koran heeft gecreëerd als een fysieke eenheid te bevestigen, een idee dat te prefereren is boven de stelling dat de Koran gelijk is aan de uitspraken van God op een niet te beschrijven manier, hoewel door de ahl al-sunnah aan de laatste visie wordt vastgehouden.

Bijna alle wetenschappers in Bagdad erkenden de doctrine van de schepping van de Koran, met opmerkzame en opmerkelijke uitzonderingen van Ibn Hanbal en Muhammed ibn Nuh. Deze situatie ervoer Ibn Hanbal als pijnlijk en hij maakte zich er boos over; om die redenen boycotte hij een aantal van de grote hadīthwetenschappers vanwege hun genoemde erkenning en weigerde vaak om hadīths van hen te verhalen. Onder degenen die werden geboycot bevond zich een naaste metgezel en een collega van Ibn Hanbal, Yahya ibn Maʿin, waarover is gezegd dat ibn Hanbal weigerde met hem te spreken tot het moment waarop hij stierf.[qtip:4| Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 318-19]

Uiteindelijk werden Ahmed ibn Hanbal en Muhammed ibn Nuh in opdracht van al-Ma’mun op de proef en voor de keuze gesteld, maar zij weigerden om de letterlijke schepping van de Koran, zoals de andere scheppingen van Allah, te erkennen. Tengevolge daarvan werden zij in de boeien geslagen om door kalief al-Ma’mun persoonlijk te worden beoordeeld. Op weg naar hem bad Imam Ahmed tot Allah om de ontmoeting met al-Ma’mun te voorkomen. Zijn gebed werd beantwoord toen al-Ma’mun plotseling stierf, hetgeen ertoe leidde dat beiden naar huis werden gestuurd. Muhammed ibn Nuh stierf gedurende hun terugreis en er was niemand om zijn begrafenis voor te bereiden, een gebed te verrichten en hem te begraven, behalve Imam Ahmed.[qtip:5| Doi, Sharī‛ah: Islamic Law, pp. 162-66]

Het beleid dat de stelling van een gecreëerde Koran steunde werd gecontinueerd door al-Muʿtasim, waarvan gezegd wordt dat hij Ibn Hanbal liet afranselen, en door al-Wāthiq, die Ibn Hanbal uit Bagdad verbande.

Hoewel hij als een buitengewoon goed jurist gold, betreurde Imam Ahmed het dat zijn opvattingen opgeschreven en verzameld werden, omdat hij vreesde dat dit zou kunnen leiden tot consultatieverlies bij de studenten ten opzichte van de bronnen van de wet zelf: de Koran en de Soenna.

Imam Ahmed trachtte altijd buitengewone voorzichtigheid te betrachten met het formuleren van juridische opvattingen en het uitspreken van vonnissen, en waarschuwde zijn studenten herhaaldelijk voor het spreken over zaken waarin zij niet konden steunen op de opvattingen van een gerenommeerde voorganger. Deze voorzichtige aanpak wordt gedemonstreerd in de gedachtegang die toegepast wordt door Ahmed via het extrapoleren. Deze werkwijze houdt in het inschatten van wettelijke beslissingen van niet onderzochte gegevens, buiten het directe bereik van het eigenlijke onderzoeksgebied, op basis van de veronderstelde continuïteit van de goddelijke bronnen. Dit geschiedt als volgt:

1) De goddelijke teksten (de Koran en de Soenna) vormen de eerste referentiebronnen voor alle jurisprudentiegeleerden, en in dit opzicht vormde Ahmed geen uitzondering. Telkens wanneer hij een goddelijk tekstueel bewijs voor een zaak opmerkte, verwees hij nooit meer naar andere bronnen, opvattingen van de metgezellen, geleerden of analogische deductie (qiyās).

2) Vonnissen vervaardigd door de metgezellen werden geraadpleegd wanneer geen tekstueel bewijs in de Koran en in de Soenna kon worden gevonden. De beweegredenen om de vonnissen van de metgezellen direct te rangschikken onder de Koran en de Soenna zijn voor de hand liggend: de metgezellen waren getuigen van de openbaring van de Koran en de implementatie daarvan door de Profeet Muhammed, die de ummah ter navolging adviseerde aan de rechtgeleide kaliefen. Dus zouden de metgezellen een veel beter wetsbegrip moeten hebben dan de latere generaties.

Imam Ahmed zou dan ook nooit voorrang hebben gegeven aan een wetenschappelijke opvatting of een analogische deductie (qiyās) boven die van de metgezellen. Echter, wanneer zij in twee kampen waren verdeeld over een bepaalde kwestie, gaf Imam Ahmed de voorkeur aan gelijktijdige documentatie van twee verschillende opvattingen.

3) In gevallen waarin de metgezellen onderling van mening verschilden, gaf hij de voorkeur aan de mening die werd gesteund door de heilige teksten, de Koran en de Soenna.

4) In gevallen waar geen van de bovenstaande methodes toepasbaar was, nam Ahmed zijn toevlucht tot de mursal hadīth, een hadīth waar een schakel ontbrak tussen de opvolger en de Profeet Muhammed, ofwel een zwakke hadīth. Echter, het type zwakke hadīth waarop Ahmed zich beriep was zo selectief dat het kon worden beschouwd als een goede hadīth, dankzij andere bewijzen (hasan li ghayrihi), dus niet het type dat als zeer zwak was bestempeld en dus ongeschikt was als wettelijk bewijs. Dit was het gevolg van het feit dat de hadīths gedurende zijn tijd alleen waren gecategoriseerd als “correct” (sahīh) en “zwak” (dhaʿīf). Het was pas na Ahmed, dat al-Tirmidhi een derde categorie van hadīths introduceerde via de term “goed” (hasan).

5) Alleen na bovengenoemde bronnen uitputtend te hebben geraadpleegd gebruikte Imam Ahmed analogische deductie (qiyās): uit noodzaak en vervolgens via de meest voorzichtige benadering.[qtip:6| Al-Dhahabī, Siyar Aʿlām al-Nubalā, vol. XI, pp. 177-358; Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 167-8; Ibn al-Qayyim al-Jawziyya, I‘lām al-Muwaqqi‘īn ‘an Rabb al-’Ālamīn, vol. I, pp. 23-28; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 320-26]

We kunnen opmerken dat de school van Imam Ahmed door zijn studenten werd gecodificeerd. Hij heeft enkele boeken gepubliceerd, maar niet specifiek over wetgeving. Twee werken kunnen worden genoemd: Kitāb al-ʿIlal wa Maʿrifah al-Rijāl (verscholen fouten, gebreken in hadīth) en al-Musnad. Al-Musnad behoort tot de grootste codificaties van hadīths. Zijn discipelen verzamelden zijn fatāwā: al-Mudawwana; Abū Bakr al-Hallal’s (311/923) al-Jāmiʿ en ‘Umar al-Khiraqi’s (324/935) Mukhtasar vormen daarvan de beste voorbeelden. Gedetailleerde informatie over deze werken kan worden gevonden in het hoofdstuk over naslagwerken.[qtip:7| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.  192-95; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 319-20; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, p. 67]

Maar de Hanbalītische school werd meer en meer beroemd in de geschiedenis van de Islam, tot op de dag van vandaag, vanwege de werken van twee beroemde Hanbalītische wetenschappers.

In de eerste plaats ibn Taymiyyah (gest. 728 na Chr.): hij is een legendarische figuur in de islamitische geschiedenis, die bij zijn vrienden en bij zijn tegenstanders bekend stond om zijn kennis van alle islamitische wetenschappen. Behalve als een gerespecteerde wetenschapper verwierf hij zich ook een groot gedeelte van zijn statuspositie vanwege zijn onbevreesdheid, zijn activisme en zijn politieke en militaire campagnes in Damascus tegen de binnenvallende Tataren. In zijn boek al-Radd al-Wāfir noemt ibn Nasir al-Dīn al-Dimashqi 87 wetenschappers van allerlei scholen die naar ibn Taymiyyah als “sjeikh al-Islam” verwezen. Een prestigieuze titel, die alleen aan juristen en traditionalisten werd gegeven wier vonnissen een hoog niveau van roem en acceptatie hadden bereikt. Zijn roem bezorgde hem vele jaloerse vijanden, die doorgingen tegen hem samen te zweren, totdat hij gevangen was gezet in de citadel van Damascus en daar stierf. Zijn begrafenis werd bijgewoond door een groot aantal bewoners van Damascus, terwijl het begrafenisgebed over hem “in absentia” in de gehele islamitische werled werd gebeden. Hij wordt vanwege zijn onschatbare bijdragen geprezen en gewaardeerd, niet alleen aan de Hanbalītische school van jurisprudentie en theologie, maar ook vanwege zijn rijke islamitische nalatenschap. Hij heeft vele studenten van hoge kwaliteit opgeleid, waaronder namen als ibn al-Qayyim en ibn Kathir. Zijn meest bekende werken zijn Fatāwā Ibn Taymiyyah en al-Siyāsah al-Shar‘iyyah.[qtip:8| Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 177-88; vgl. Melchert, The Formation of the Sunnī Schools of Law, 9th-10th Centuries, pp. 137ff]

In de tweede plaats, ibn al-Qayyim al-Jawziyyah (gest. 751 na Chr); hij was student bij ibn Taymiyyah en een intieme vriend, die goede en minder goede tijden met hem deelde, tot de dood van ibn Taymiyyah. Zijn boeken met betrekking tot diverse islamitische wetenschappen bezorgden hem veel roem en acceptatie. Enkele van zijn belangrijkste werken bevatten Zād al-Maʿād over sīrah en fiqh, Iʿlām al-Muwaqqiʿīn over usūl al-fiqh en al-Kāfīyah fī al-Intisār li al-Firqah al-Nājiyah, over Hanbalītische theologie, die nog steeds in Hanbalītische scholen wordt onderwezen en bestudeerd.

De volgelingen van Ahmed kunnen nu vooral worden aangetroffen in Centraal-Arabië, de binnenlandse gebieden van Oman en in de Perzische golfstaten; de overige zijn weinig in aantal en wonen verspreid over totaal afgelegen locaties, in een aantal Centraal-Aziatische steden en in de afgelegen plattelandsgebieden bij sommige geïsoleerde  Syrische dorpen. De Hanbalītische school is de officiële school van Saudi-Arabië.[qtip:9| Akgunduz, Turk Hukuk Tarihi, vol. I, pp. 129-30; Zaydan, al-Madkhal li Dirāsah al-Sharī‛ah al-Islāmiyyah, pp. 170-73; Muhammed Abū Zahra, Imam Ahmed ibn Hanbal (Caïro: Dār al-Fikr al-Arabī, 1997), pp. 6-20; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 208-10; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 327-28; Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 188-92]

 


[1]  Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 159-67; Ibn al-Qayyim al-Jawziyya, I‘lām al-Muwaqqi‘īn ‘an Rabb al-’Ālamīn, vol. I, p. 23; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 314-17; al-Zuhaylī, al-Fiqh al-Islamī, vol. I, pp. 52-55.

[2]  Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 317-18.

[3]  Aghnides, Islamic Theories of Finance, p. 145-46; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 208-10.

[4]  Al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 318-19.

[5]  Doi, Sharī‛ah: Islamic Law, pp. 162-66.

[6]  Al-Dhahabī, Siyar Aʿlām al-Nubalā, vol. XI, pp. 177-358; Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 167-8; Ibn al-Qayyim al-Jawziyya, I‘lām al-Muwaqqi‘īn ‘an Rabb al-’Ālamīn, vol. I, pp. 23-28; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 320-26.

[7]   Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp.  192-95; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 319-20; Auda, Maqāsid al-Sharī‘ah as Philosophy of Islamic Law, p. 67.

[8]  Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 177-88; vgl. Melchert, The Formation of the Sunnī Schools of Law, 9th-10th Centuries, pp. 137ff.

[9]  Akgunduz, Turk Hukuk Tarihi, vol. I, pp. 129-30; Zaydan, al-Madkhal li Dirāsah al-Sharīah al-Islāmiyyah, pp. 170-73; Muhammed Abū Zahra, Imam Ahmed ibn Hanbal (Caïro: Dār al-Fikr al-Arabī, 1997), pp. 6-20; Tashkopruzadeh, Miftāh al-Saʿādah, vol. II, pp. 208-10; al-Qattān, Tārīkh al-Tashrīʿ al-Islāmī, pp. 327-28; Mu‘awwadh en Abdulmawjūd, Tārikh al-Tashrī‘ al-Islamī, vol. II, pp. 188-92.

19 Wat voor reden en wijsheid schuilt er achter de nederlaag van de moslims tijdens de strijd van Oehoed?

Zoals de verzen 152 – 165 van Al’i Imraan ernaar verwijzen, waren de boogschutters die hun plek hadden verlaten, terwijl de profeet hen bevolen had die niet te verlaten, de reden waarom de moslims de strijd van Oehoed verloren hadden. Een enkele ongehoorzaamheid tegenover een bevel van de profeet deed plotseling de hele staat van de oorlog veranderen.

Als we daarbij op punt van wijsheid deze nederlaag analyseren, zien we de volgende verzen verschijnen:

“Mochten jullie letsel hebben opgelogen,dat volk liep een soortgelijke letsel op. Zulke dagen doen wij onder de mensen omwisselen om de gelovigen te onthullen en martelaren uit jullie midden te halen; en ALLAH houdt niet van de onrechtvaardigen.”[qtip:1| Al’i Imraan, 140]

Hier zien we dat ALLAH die nederlaag schonk om de oprechtheid en zuiverheid van de moslims te testen, om metgezellen zoals Hamza, Moesab bin Oemeyr en Abdullah ibni Djahsj naar het niveau van martelaarschap te verheffen en om duizenden meerdere wijsheden welke wij niet kunnen bevatten.

Buitendien streden de moslims tegen vele mensen die zich in de toekomst zouden bekeren tot de Islam en verheven metgezellen zouden worden, zoals Khalid bin Welied. Om hun trots niet volledig te schaden, schonk de Alwijze hen een vervroegde beloning door hen de overwinning te laten behalen omwille van de gezegende taken die zij na acceptatie van de Islam zouden verrichten.[qtip:2| Risale-i Nur, de Flitsen]

De leider van Oehoed van de destijdse heidenen: Eboe Soefyan, de grootste reden voor de nederlaag van de moslims in Oehoed: Khalid bin Welied en dergelijke grootheden bekeerden zich pas na de overeenkomst van Hoedeybiye.



[1] Al’i Imraan, 140.

[2] Risale-i Nur, de Flitsen.

20 Ashourae (tiende van de eerste islamitische maand Muharram)

Beste broeder / zuster,

Profeet Muhammad (V.Z.M.H.) adviseerde zijn metgezellen om te vasten in de negende, tiende en elfde dag van Muharram.

“De beste maand van vasten na de Ramadan is de maand van Allah (Het is vereerd en een relatie gekregen met Allah), Muharram (Riyadh- us- Saliheen, II, 504). Sommige andere overleveringen geven goede nieuws over de dag van Ashurah, welke verwijst naar de tiende dag van Muharram, waarbij veel verschillende gebeurtenissen plaatst heeft gevonden. “Vasten op de dag van Ashura (heeft een grote waarde), ik hoop dat Allah dit accepteerd als een vergoeding voor (de zondes die gemaakt zijn) van de vorige jaar” (Riyadh- us- Saliheen, II, 509).

Deze dag is toegepast als een rouwdag door de Shias omdat Hussein (r.a) op vrijdag martelaar was geworden, de tiende dag van Moeharram in de tijd van Yazeed, de tweede heerser van de Amawies. Dat is de 61ste jaar van de hijri kalender en 680 op de Gregoriaanse kalender. Gedurende tijd is dit breed geaccepteerd en kreeg een officiële karakter.

De andere belangrijke gebeurtenissen zijn als volgt:

  1. De dag van dat de Ark van Noah lande op de berg Djoedi na de vloedgolf.  Zoals bekend is, wordt deze dag als de bevrijding van de gelovigen gezien en de vernietiging van de ongelovigen.
  2. Op deze dag had Adam vergeving gevraagd.
  3. De bevrijding van Abraham van de vuur waarin hij door de ongelovigen in werd gegooid.
  4. Profeet Jakob zijn hereniging met zijn zoon Josef.

21 Heeft de naam invloed op het karakter van iemand?

Namen hebben wel degelijk invloed op iemand’s karakter. De betekenis die een naam voor het kind heeft en het uitspreken van de naam heeft invloed op een persoon’s karakter.

Een mooie naam aan een pasgeboren baby geven is als eerste de taak van de vader en vervolgens van de moeder. De naam die men bedenkt moet een mooie betekenis hebben en geschikt zijn binnen de Islam. In het algemeen wordt een naam gegeven op de dag van geboorte. De Profeet (v.z.m.h.) heeft het volgende gezegd toen Zijn zoon Ibrahim werd geboren:

“Deze nacht is mijn zoon geboren. Ik heb hem de naam van mijn voorvader Ibrahim gegeven.” [qtip:(1)| Aboe Davoed, Cenaiz, 24]

Deze hadith is een belangrijk bewijs over wanneer we een naam zouden moeten geven. Ook heeft de Profeet (v.z.m.h.) gezegd dat het mogelijk is om meer dan één naam te geven aan iemand. [qtip:(2)| Sahih al-Bukhari, Menakib, 17; Sahih Muslim, Fezail, 124]

Het is niet juist om namen te geven die valse betekenissen dragen, verzonnen zijn, binnen de moslimgemeenschap nooit eerder gebruikt zijn en geen moslimnamen zijn. Want de Profeet (v.z.m.h.) heeft het volgende gezegd;

“Op de dag des oordeels zullen jullie geroepen worden met jullie vader’s naam, geef dus mooie namen aan jullie kinderen”. [qtip:(3)| Aboe Davoed, Edeb, 61; Ibnu Hanbel, V, 194]

22 Klopt het dat Mohammed van ALLAH aan Eboe Bekr het volgende moest vragen “Ik ben tevreden over Eboe Bekr, vraag of hij ook tevreden is over mij.”?

Eboe Hoerayra levert hier het volgende over:

“Wij bevonden ons met de profeet v.z.m.h. Hij keek naar Eboe Bekr, die rechts van hem zat, en zei tegen hem: Ik feliciteer jou omwille van vrede dat jou toegewenst wordt door ALLAH. Djibriel kwam zojuist naar mij en zei: ‘wie is deze man rechts van jou gewikkeld in stof?’ ik zei ‘dit is Eboe Bekr. Voor de verovering van Mekka heeft hij al zijn bezittingen voor mij besteed, mij bevestigd en zijn dochter met mij verloofd.’ Djibriel zei ‘O Mohammed! ALLAH wenst hem vrede toe en vraagt of hij tevreden is over Hem in deze arme staat van hem.’ Hierop begon Eboe Bekr langdurig te huilen. Vervolgens zei hij ‘O profeet van ALLAH! Ik ben tevreden over ALLAH en heb mij onderworpen aan Zijn oordeel en lot.”[qtip:(1)| zie: Kenzu’l-Ummal, h. No: 35649]

In deze overlevering wordt niet de algemene tevredenheid van Eboe Bekr bedoeld. Eboe Bekr was een rijke man. Hij had al zijn bezittingen besteed omwille van Islam en was arm geworden, daarom was de vraag bedoeld om duidelijk te maken of Eboe Bekr ook in zijn arme staat nog steeds tevreden was over ALLAH.  Dat hij antwoordde met de woorden: ‘O profeet van ALLAH! Ik ben tevreden over ALLAH en heb mij onderworpen aan Zijn oordeel en lot.” toont ook aan waarom deze vraag aan hem gesteld werd.


[1] Kenzu’l-Ummal, h. No: 35649

 

23 Hoe bekeerde Oethman (drager van twee lichten) zich tot de Islam?

De zachtaardige Oethman was een man met een opvallend charismatisch uiterlijk. Hij was één van de rijkste handelaren uit Mekka en daarnaast erg vrijgevig. Eboe Bekr was een goede vriend van hem en op een dag, tijdens een gesprek tussen de twee, werd hij door hem geïnformeerd over de Islam. Na de interesse van hem aangewakkerd te hebben, nam Eboe Bekr hem mee naar de profeet. Toen de altijd glimlachende Oethman tegenover de profeet stond, sprak Mohammed hem als volgt aan:
“Wees willig jegens de gunst van ALLAH, welke het paradijs is. Ik ben als gids gezonden naar jou en de mensheid die leidt naar redding.”

De onomwonden, heldere en bondige wijze waarop de profeet hem uitnodigde tot de Islam, deed hem versteld staan en hij zag geen greintje onzekerheid in Mohammed. Door dit scenario viel Oethman meteen voor het geloof, legde getuigenis af en vertelde de volgende droom welke hij recent gezien had:[qtip:1| Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55]

“O profeet van ALLAH, in een gebied waar wij overnachtten onderweg van de terugreis uit Damascus, zag ik een droom waarin een rapporteur het volgende uitriep: “O slapers, ontwaak! Ahmed is verschenen in Mekka!” Zodra wij in Mekka arriveerden, hoorden wij vervolgens uw profeetschap.”[qtip:2| Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55]

De bekering van de vriendelijke handelaar deed bij veel heidenen wederom het bloed onder hun nagels vandaan halen. Onder hen bevond zich ook zijn oom genaamd Hakem bin Eboe’l-As. Deze bruutingestelde man wist dondersgoed dat Oethman zodanig respectvol en bescheiden was, dat hij geen tegenstrijd zou leveren als zijn oom hem zou straffen. Uiteraard zou een barbaar als Hakem het niet kunnen laten om van een dergelijke eigenschap misbruik te maken.

Toen zijn ergernis haar toppunt had bereikt, zocht hij zijn neef op en greep hem om hem vervolgens mee te sleuren naar een folterpaal. Hij bond Oethman stevig vast en begon hem af te ranselen. Met afschuw kraamde hij de volgende waanzin uit:
“Hoe waag jij het om het geloof van je ouders aan de kant te schuiven voor een andere religie? Zolang jij je religie niet verwerpt, zal ik jou niet vrijlaten!”

De enige reactie van Oethman hierop was:

“Bij ALLAH, nooit en te nimmer zal ik dit absolute geloof opgeven!”
Nadat Hakem hem daarop net zo lang afroste tot zijn woede suste, liet hij hem vrij omdat hij wist dat zijn neef op geen wijze om te praten was. De miserabele afgunst van Hakem kon niet op tegen de verhevenheid van Oethman.[qtip:3| Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55]

Eigenschappen van deze uitzonderlijke metgezel van de profeet waren onder andere zijn opvallende verlegenheid en vrijgevigheid. Ook kende hij de volledige Qur’an uit zijn hoofd en reciteerde deze weleens volledig uit tijdens nachtgebeden. Graag besteedde hij zijn weelde omwille van ALLAH. Nooit had hij alcohol genuttigd, als één van de weinige metgezellen van de profeet, en hij was iemand die bekend stond om zijn bekoorlijke uiterlijk. Hij bevond zich onder de tien moslims die beloofd werden met het paradijs voordat ze stierven. Ook kreeg hij de eer schoonzoon te worden van Mohammed, die hem huwde met zijn dochter Roekiye. Vervolgens zei hij het volgende tegen zijn dochter:

“Mijn geliefde dochter, heb Oethman lief. Voorwaar, onder mijn metgezellen is hij degene wiens karakter het meest op het mijne lijkt.”

Toen Roekiye jaren later overleed en de profeet zag hoe Oethman treurde, troostte de profeet hem met de volgende woorden:
“O Oethman, treur niet! Bij ALLAH, als ik honderd dochters zou hebben en ze zouden overlijden, ik zou ze één voor één huwen met jou tot er geen meer overbleef. Daar is Djibriel al, hij laat mij weten dat ALLAH mij beveelt om in de plaats van mijn overleden dochter, haar zusje met jou moet huwen voor hetzelfde bruidsgift.”

Mohammed huwde zijn gezegende metgezel met zijn dochter Oemmoe Qoelthoem. Sindsdien kreeg Oethman de bijnaam Zienoerreyn, ofwel: Drager van twee lichten.




[1] Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55

[2] Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55

[3] Ibni Sa'd, Tabakât: 3/55

24 Kunt u informatie geven over Sekine doea?

De Sekine doea komt in zijn geheel in de Koran voor. Deze bestaat uit de Schone namen van Allah en Zijn verzen.

Sekine betekend; Vreugde in je hart, Veiligheidsgevoel, Veilig, Rustgevend, Geruststellend, Waardigheid, Nuchterheid enzovoort. [qtip:(1)| İbn Manzûr, Lisânü’l-Arab, Beyrut ts., XIII/213; Tâcu’l-arûs, I/8069-8071]

In onze boeken wordt aangehaald dat voor Hz. Ali (ra) een doea genaamd Sekine is neergedaald.

Dit is een doea met de meest verheven Schone Namen van Allah, de Enige (Ferd), de Levende (al-Hayy), de Zelfbestaande (al-Qayyum), de Rechter (al-Hakam), de Rechtvaardige (al-‘Adl) en de Heilge (al-Quddus) wordt gelezen.

De Sekine doea wordt als volgt gelezen:

- De Sekine wordt tezamen met het basmala [qtip:(2)| Is het Arabisch vers Bismillah al-Rahman al-Rahim (In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle)] negentien keer gelezen. Het is nuttig om erover na te denken aangaande het getal negentien wat het aantal is van het te lezen Sekine doea. Bijvoorbeeld: 19x19=361. Deze 361 is het aantal graden van een cirkel. Echter de mathematici hebben voor 360 gekozen om het rekenen eenvoudig te houden.

Ieder vers in de doea Sekine heeft negentien letters en wordt negentien keer gelezen. Naar onze mening ontstaat met lezen van negentien keer negentien de Sekine doea een schild van licht rondom de lezer

25 Uitnodiging offerfeest - wat er van me wordt verwacht?

U kunt het beste uzelf zijn. Nette kleding kan. Iets casuals ook. Tijdens deze dagen is saamhorigheid belangrijk. Het offerfeest is immers een vorm van gebed. Omwille van ons heer wordt er een offer uitgebracht. Zal er vlees genuttigd worden samen met familie, vrienden kennissen en ook collega's en ook zal wellicht een gedeelte van het vlees uitgedeeld worden onder de behoeftigen. Tijdens deze warme dagen zult u veel warmte ervaren en zult u genieten van een mooi dag.

Wat betreft presentje. Dit hoeft niet. Maar een presentje, iets kleins, is altijd leuk. Maar u hoeft zich absoluut niet verplicht te voelen.  

26 Wat is het doel van het leven?

Het leven op aarde heeft verschillende doelen. Allah heeft de mens geschapen als een wezen met verstand. Zoals het universum en alles daarin Hem aanbidt, wil Allah dat de mens met zijn verstand deelneemt aan deze aanbidding.

“En Ik (Allah) heb de Djinn en de mens slechts tot Mijn aanbidding geschapen. (datgene waartoe alle profeten hebben opgeroepen).”1

Zoals deze vers aangeeft is het doel op aarde het leren kennen van de Schepper en Zijn eigenschappen, in Hem geloven en Hem aanbidden. Dit werd al eerder uitgebreid uitgelegd in vraag 24: Als Allah geen behoeftes heeft, waarom zijn wij dan geschapen?

Evenwel is het doel van het leven, het hoogste niveau van kennis bereiken op vlak van religie, technologie, wetenschap, biologie, sociologie enzovoort. Vervolgens wordt er van ons verwacht dat we deze kennis omzetten naar de praktijk zodat de wereld een betere plek wordt en zodat er gerechtigheid wordt gegarandeerd tussen mensen. Op deze manier kunnen we de tevredenheid van Allah garanderen en worden we beloond met het paradijs.

Daarnaast is de mens onderworpen aan een beproeving. Het leven en de dood, rijkdom en armoede, ziekte en gezondheid… zijn allemaal een onderdeel van deze beproeving. Hoe wij ons gedragen tijdens deze beproevingen bepaalt onze waarde bij Allah. Bijvoorbeeld: geduld hebben en dankbaarheid blijven tonen in moeilijke tijden zijn karakteristieken die zeer geliefd zijn bij Allah. De volgende verzen over dit onderwerp zijn als volgt:

“Degene Die de dood en het leven heeft geschapen, zodat Hij jullie kan beproeven (en om te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige (over de ongehoorzamen), de Vergevingsgezinde (voor de berouwvollen).”2

“(Het is een universele belofte dat) iedereen (en zonder uitzondering) – (of het nu om een mens, Engel, Djinn of dier gaat) zal de dood (willens of onwillens) proeven. En (omdat niemand onrecht zal worden aangedaan) zullen jullie het (volledige eind)resultaat, (dat aan jullie daden is gekoppeld) pas ondervinden op de Dag der Opstanding.”3

----------------------------------------------------------

1.De Heilige Koran, Adh-Dhariyat (De Schiftende Winden) 51/56.
2.De Heilige Koran, Al-Mulk (Heerschappij) 67/2. 
3.De Heilige Koran, Al-Ali Imran (Imrans Mensen) 3/185.

27 epileren(prive)

Beste lezer

Klik hier om onze antwoord te lezen.