“Degenen die in het Onwaarneembare Geloven…” (De Koran, 2:3)

Indien je wil begrijpen hoeveel geluk en gunsten en hoeveel genot en verlichting er zich in het geloof bevinden, luister dan naar deze parabel.

Op een dag gingen twee mannen op reis, niet alleen voor hun plezier, maar ook voor de handel. Eén van hen was egocentrisch en ongelukkig, hij ging de ene kant op. De andere man was zich van Allah bewust en gelukkig, hij ging de andere kant op.

Omdat de zelfzuchtige man genotzuchtig, egoïstisch en pessimistisch was, kwam hij, bij wijze van vergelding daarvoor, in een land terecht dat in zijn ogen zeer slecht was. Overal zag hij wanhopige zwakkelingen jammeren, omdat ze gegrepen werden door verschrikkelijke tirannen die alles verwoestten. Hij trof op alle plaatsen waar hij kwam soortgelijke, hartverscheurende toestanden aan. Tevens zag hij dat heel het land de vorm van een algemene rouwzitting had aangenomen. Om deze pijnlijke, duistere beleving niet langer te hoeven ondergaan, zag hij geen andere uitweg dan zijn toevlucht te zoeken in de drank. Hij beschouwde immers iedereen als een vreemde en als een vijand, hij zag alom vreselijke lijken en hopeloos huilende wezens en zijn geweten werd hierdoor onophoudelijk gekweld.

De andere man had godsbesef, hij was een dienaar Gods, een godzoeker en van goed zedelijk gedrag, vandaar dat hij in een land terechtkwam dat in zijn ogen heel mooi was. Deze goede man zag juist in het hele land grote feesten en festiviteiten, vol van blijdschap. Overal werd in vervoering en met enthousiasme Allah in gedachtenis gebracht. Iedereen was in zijn belevenis een vriend, een familielid. Hij zag dat in het hele land met uitingen van vreugde en van dank feest werd gevierd ter gelegenheid van de afkondiging van een algemene dienstbeëindiging. Hij hoorde tijdens iedere militaire indiensttreding, samen met een muzikaal tromgeroffel, vreugdevolle uitroepen, zoals “Allahis de Grootste” en “Er bestaat geen god behalve Allah”. In plaats van de kwelling die de eerdere, ongelukkige man ondervond door zijn eigen verdriet en dat van het hele volk, werd deze zalige man blij vanwege zijn eigen vreugde en die van iedereen in zijn omgeving, en vond hij rust; bovendien was het handeldrijven gunstig voor hem en was hij Allah zeer dankbaar.

Na een tijdje keerde hij terug, kwam hij de andere man tegen. Hij begreep zijn situatie en zei tegen hem: “Zeg, je bent in een dwaas veranderd. Je eigen innerlijke lelijkheden moeten zich in je uiterlijke beleving hebben gereflecteerd, waardoor je het lachen als huilen en de vrijstelling van dienst als beroving en als plundering hebt ervaren. Kom tot bezinning en reinig je hart, opdat deze ellendige sluier voor je ogen wordt opgeheven en je de waarheid kunt zien. Een land van een volkomen rechtvaardige, barmhartige, machtige, ordelijke, goedgunstige koning, die zijn onderdanen goede leiding geeft, kan niet zo zijn zoals jij je dat inbeeldt, doch vooral een land waarvan de tekenen van vooruitgang en perfectie zo in het oog springen”. Hierna kwam die ongelukkige man tot zijn zinnen, hij toonde berouw en zei: “Ik heb inderdaad in mijn dronkenmanswaanzin mijn verstand verloren. Je hebt me verlost van een helse situatie. Moge Allah jou goed gezind zijn.”

O mijn ziel! Weet dat de eerste man een ongelovige is of een achteloze moslim, een zondaar. Deze wereld is in zijn ogen een oord van algemene rouw. Ieder levend wezen is een wees die weent vanwege de tegenslagen, vanwege het uiteengaan en het teloorgaan van al zijn geliefden. Mensen en dieren zijn op zichzelf aangewezen, zonder herder, en worden door de klauwen van de dood verscheurd. De grote schepselen en scheppingen zoals bergen en zeeën zijn als zielloze, verschrikkelijke lijken. Zeer pijnlijke, benauwende en angstaanjagende waanvoorstellingen zoals deze vloeien voort uit ongeloof en uit misleiding van de ongelovige mens; ze kwellen hem van binnen.

De andere man is een gelovige. Hij kent en erkent Allah. In zijn ogen is deze wereld een plaats waar men de Barmhartige kan gedenken, een leerschool voor mens en dier en een veld van beproeving voor de mens en de djinn.[qtip:1| Djinns: schepselen van Allah, onzichtbare wezens die aan bod komen in de Koran. Ze zijn anders dan de mens en de engelen. Ze hebben echter met de mens enkele eigenschappen gemeen, zoals verstand, onderscheidend vermogen, vrijheid en het vermogen te kiezen tussen het goede en het kwade. Op bepaalde essentiële punten zijn ze anders dan de mens. Het meest belangrijke punt is hun oorsprong. De substantie waaruit de Djinns werden geschapen is niet dezelfde als die van de mens. Allah deelt ons in vele Koranverzen mee dat Hij de djinns heeft geschapen uit vuur en de mensen uit klei] Het overlijden van alle mensen en alle dieren beschouwt hij als het einde van het werken. Degenen die hun levenstaak hebben volbracht, ruilen met een spirituele voldoening deze vergankelijke wereld in voor een andere, probleemloze wereld, zodat er plaats vrij komt voor nieuwe dienstplichtigen om te komen werken. De geboorte van ieder mens en dier markeert hun intrede in het leger; het oppakken van wapens en het beginnen aan hun taken. Ieder levend wezen is een aangestelde blije soldaat, een tevreden ambtenaar op het rechte pad. De alom hoorbare geluiden zijn of gedenkspreuken over Allah en Zijn verhevenheid tijdens de aanvang van de plicht, of het zijn uitingen van dank en opluchting aan het einde daarvan, of het zijn melodieën die voortvloeien uit hun plezier in hun werk. Ieder schepsel is in de ogen van de gelovige een vriendelijke dienaar, een bevriende ambtenaar, een mooi geschrift van zijn Vrijgevige Heer, zijn Barmhartige Eigenaar. Zoals deze zijn er nog vele andere subtiele, verheven, aangename en zoete waarheden, die vanuit zijn geloof tevoorschijn komen en zich manifesteren.

Het geloof bevat het spirituele zaad van de Tūbā-boom[qtip:2| Tūbā-boom: een boom in het Paradijs waarvan de wortels in de lucht en de takken naar beneden hangen] van het Paradijs en achter ongeloof verschuilt zich het spirituele zaad van de Zaqqūm-boom[qtip:3| Zaqqūm-boom: de naam van een boom in de hel] van de Hel. Dus rust en vrede zijn alleen maar te vinden in de Islam en het geloof. Derhalve dienen we altijd te zeggen: “Alle lof aan Allah, daar Hij ons de Islam en het volmaakte geloof heeft geschonken.”

 


[1]  Djinns: schepselen van Allah, onzichtbare wezens die aan bod komen in de Koran. Ze zijn anders dan de mens en de engelen. Ze hebben echter met de mens enkele eigenschappen gemeen, zoals verstand, onderscheidend vermogen, vrijheid en het vermogen te kiezen tussen het goede en het kwade. Op bepaalde essentiële punten zijn ze anders dan de mens. Het meest belangrijke punt is hun oorsprong. De substantie waaruit de Djinns werden geschapen is niet dezelfde als die van de mens. Allah deelt ons in vele Koranverzen mee dat Hij de djinns heeft geschapen uit vuur en de mensen uit klei.

[2] Tūbā-boom: een boom in het Paradijs waarvan de wortels in de lucht en de takken naar beneden hangen.

[3] Zaqqūm-boom: de naam van een boom in de hel.

 

Read 6.603 times
In order to make a comment, please login or register
GERELATEERDE VRAGEN